Spaanse Furie (4 – 8 november 1576)

De Spaanse Furie staat ook wel bekend als de ‘plundering van Antwerpen’. Binnen het Spaanse leger in de Nederlanden vonden in de periode tussen 1572 en 1607 maar liefst vijfenveertig muiterijen plaats. Dit waren angstaanjagende aangelegenheden, waarbij de inwoners van de steden, die de troepen geacht werden te beschermen, zelf het slachtoffer werden. Tijdens de meest beruchte van deze aanslagen, de Spaanse Furie van Antwerpen, werd de Scheldestad tussen 4 en 8 november 1576 geplunderd door meer dan 5.000 Spaanse en Duitse soldaten van het Koninklijke (“Spaanse”) leger. Deze gebeurtenis is verworden tot één van de belangrijkste symbolen voor al wat er mis was met de gedragingen van het Spaanse leger in de Nederlanden.

Ten einde de fictie van een onvoorbereide burgerij die het opnam tegen een woedende massa Spaanse muiters, definitief uit de wereld te helpen, volgt hier eerst de samenstelling der partijen.

Aan de zijde van de Spanjaarden waren daar de 2.000 muiters van Aalst, vijf vendels onder leiding van Julián Romero, vijf vendels onder leiding van Juan de Valdés en acht compagnies lichte ruiterij onder leiding van Alonso de Vargas, Pedro de Tassis, Bernardino de Mendoza, Antonio de Oliveira, Martin de Orzaez en Martin de Ayala. Tot slot waren er ook nog de vier overgelopen Duitse vendels van de kolonels Fugger, Fronsberg en Pollweiler, evenals de drie Duitse vendels die met Vargas uit Maastricht mee waren gekomen. Samen dus ongeveer 4.000 infanteristen en 800 man cavalerie.

De verdedigers van Antwerpen aan de andere kant beschikten over eenentwintig Waalse vendels onder leiding van de markies van Havré en andere Nederlandse edelen. Verder had men nog zes compagnies lichte ruiterij onder leiding van de heer van Bièvre en vier ordonnantiebenden onder leiding van de heren van Capres en van Vendegise au Bois. Tenslotte was daar dan nog het garnizoen van de stad, bestaande uit de vijf Waalse vendels van Champagney, de negen Duitse vendels onder graaf von Eberstein en nog eens vier onder leiding van Cornelis van Eynde. Samen waren dit ongeveer 9.000 voetsoldaten en 1200 man cavalerie, terwijl men ook nog een beroep kon doen op de burgerwacht van de stad.

Veldslag

Omstreeks elf uur in de ochtend waren de laatste Spaanse troepen binnen de citadel verzameld. Dit waren de muiters van Aalst, die in het holst van de nacht de plaats hadden verlaten en na een lange mars Antwerpen bereikt hadden. Sancho Dávila wilde nu dat de mannen enige uren rustten en zo op krachten kwamen, maar dit was niet naar de zin van de muiters. Vol bravoure laat Pieter Bor hen antwoorden: “datse ‘smiddaegs in’t Paradijs souden eten of ‘savonds binnen Antwerpen”. De Spanjaarden wachtten niet langer en omstreeks één uur in de middag verlieten de circa 5.000 Spaanse en Duitse troepen in gesloten gelederen de citadel.

“De Spangiaerden vielen met sulken furie, geroep en gekrijsch aan, dat een mensch het hair te berg stondt die’t hoorden”, en binnen afzienbare tijd werden de eerste schansen en wegversperringen door hen genomen. Dit was teveel voor de ongetrainde Waalse eenheden en zij begaven het bij de eerste schok. Waar enkele Duitse eenheden zich nog enige tijd wisten te weren, gingen vele anderen bij het eerste contact terstond over naar de vijand. Gouverneur Champagney poogde nog om zijn Walen te hergroeperen in de Nieuwstad, maar toen ook daar de ruiters kwamen aanzetten, vluchtten de Walen en burgers alle kanten op. Slechts op de Grote Markt voor het stadhuis werd de enige werkelijke weerstand van de dag geboden. Schutters openden vanuit de vensters van het stadhuis het vuur op de aanvallers, terwijl op de markt zelf de Waalse soldaten de vijand tot staan probeerden te brengen. De Spaanse soldaten hadden echter hun bedienden takkenbossen en ander brandbaar materiaal laten meevoeren en dit brachten zij nu aan tegen de zijgevels van het stadhuis. De vlammen zetten in een ommezien het laatste bolwerk van de verdedigers in lichterlaaie, zodat “de gene die daer op waren, gedwongen werden door de vensteren uit te springen”.

Het Spaanse leger had de stad met zo’n snelheid overlopen, dat de autoriteiten er niet meer in geslaagd waren om de leden van de burgerwacht te verzamelen, aangezien deze nog niet op de been was. Dit vond zijn oorzaak in het feit dat op 19 oktober eerder dat jaar het bevel, dat iedere burger zich in geval van nood gewapend naar zijn post moest begeven, was ingetrokken. Om de Spanjaarden in het kasteel geen aanleiding te geven tot een beschieting, werd de burgers in plaats daarvan opgedragen zich in de eigen woning op te houden tot het sein tot verzamelen zou worden gegeven. Echter, dit alles bracht met zich mee dat de burgerwacht voor de verdediging van de stad van weinig nut was en dat de soldaten aan Spaanse zijde de vele gewapende burgers die zij thuis en in de straten aantroffen, achtervolgden en ongenadig afmaakten.

“The heate of the pursute was yet such, volgens het ooggetuigenverslag van Gascoigne, that they coulde not attend the Spoyle, but passed on in chase to the new towne: where they slew infinite numbers of people”. Iedereen, burgers en soldaten gelijk, zocht een goed heenkomen en probeerde aan de overwinnaars te ontkomen. Sommigen meenden zich te kunnen redden door te vluchten naar de schepen van de Prins van Oranje die in de Schelde lagen. De heer van Champagney en ook de markies van Havré wisten zich op deze wijze in veiligheid te brengen. De graaf van Oberstein was echter minder gelukkig: de schuit waar hij instapte, sloeg om en door het gewicht van zijn wapenuitrusting zonk hij vervolgens naar de bodem. Zo verging het ook vele anderen. Ruiters sprongen zelfs met paard en al van de vestingmuren af de gracht in. Anderen, die niet via de schepen wisten te ontvluchten verbrandden levend in hun huizen, of stierven omdat de muren instortten. De Spanjaarden hadden namelijk, om het hergroeperen van de verdedigers te beletten, tijdens de gevechten enkele branden gesticht. Deze hadden zich vervolgens snel uitgebreid over de omliggende straten en hierbij zouden wel vijfhonderd huizen in vlammen zijn opgegaan. Velen werden in de vlucht door de Spanjaarden neergestoken en weer anderen gingen de Spanjaarden tegemoet, omdat zij liever wilden sterven, “dan zulk een bezonder gemeen ongeval overleven.”

Schade en slachtoffers

De plundering duurde vier dagen lang. Pas op 8 november achtte de Spaanse bestuurder Jéronimo de Roda de manschappen voldoende uitgeraasd om ze weer aan de krijgstucht te onderwerpen en verbood hij hun verder te plunderen. In de tussentijd hadden ze echter niet stilgezeten.

Hoewel de exacte schade niet meer te schatten valt, geven de berichten uit die tijd wel aan, dat deze enorm geweest moet zijn. Zo zou volgens een schatting van de factor van de Fuggers al voor ongeveer 2 miljoen gulden aan liquide geld zijn geroofd, hetgeen best eens met de waarheid overeen zou kunnen komen. Evenals de andere schatting uit die tijd, waarbij het totale verlies voor Antwerpen zelfs op 5 miljoen gulden werd gesteld. Bor zegt over de grootte van de buit dat “men acht het gereet ghelt, gout, silver ende juwelen dat dese plonderaers, moorders ende vervloecte schelmen hier creghen, meer waerdich te zijn gheweest dan veertig tonnen gouts”.

Over de aantallen slachtoffers die deze dag gevallen zijn, valt geen zekerheid te geven. De opstandige Staten-Generaal berichtten over 18.000 doden, maar dit konden er ook 17.000 zijn. De Spanjaarden daarentegen telden 2.500 doden tijdens de gevechten en nog eens het dubbele aantal dat verdronk of omkwam bij de brand. Tegenwoordig wordt het aantal doden meestal geschat op omstreeks 8.000, hetgeen overeenkomt met de Spaanse telling. Doch ook getallen van slechts enkele honderden of duizenden worden genoemd. Destijds deden in ieder geval de wildste verhalen de ronde. Zo hoorden de mensen in Amsterdam op 17 november dat te Antwerpen “een cuyl gevult was met wel sesduyzent dooden ende datter noch een cuyl gemaeckt soude sijn, ruym die helfte grooter, die gemeent werde dat wel vol soude comen van de dooden die daer noch lagen vermoort”.

Impact

De plundering ontlokte een golf van verontwaardiging in de Nederlanden en werd met name door de medestanders van Oranje met beide handen aangegrepen om de Spanjaarden in de Nederlanden zwart te maken. Deze sterke reactie was onder meer  te wijten aan de vernietiging van dat “schone kostelijke Stadhuys” waarin zoveel geld en moeite was gestoken. Tussen 1561 en 1565 gebouwd, was het bedoeld om te worden gebruikt ter gelegenheid van de blijde intrede van Filips II. Hoewel de intrede uiteindelijk nooit plaats heeft gevonden, was het stadhuis toch een van de belangrijkste symbolen van de grootsheid van de stad. De vernietiging van dit ‘wereldwonder van Antwerpen’ is door vele burgers dan ook als een groot verlies ervaren.

Het motief van het brandende stadhuis speelde eveneens een belangrijke rol in de prenten van Frans Hogenberg. De gehele episode is door hem uitvoerig in beeld gebracht en is in vele herdrukken uitgegeven. Hij besteedt aandacht aan de gebeurtenissen die vooraf gingen aan de aanval, maar illustreert ook tot in de gruwelijkste details de vreselijkheden die in de stad door de soldaten zouden zijn begaan. Zowel in de voorstellingen als in de onderschriften worden de wreedheid en tirannie van de Spanjaarden veroordeeld. De prenten laten enerzijds de troepenbewegingen en de gebeurtenissen zien, anderzijds choqueren zij de toeschouwer door een weergave van de vermeende gruwelijkheid van de individuele martelingen en de massaliteit van de slachtpartij.

Tot ver in de zeventiende eeuw dienden deze voorstellingen als uitgangspunt voor illustraties van de misdaden begaan door het Spaanse leger in de Nederlanden. In een samenleving waarin nog steeds grote aantallen mensen niet konden lezen of schrijven, mag de voorstellingskracht en propagandawaarde van dergelijke prenten dan ook niet onderschat worden. Mede dankzij de prenten van Hogenberg zou het motief van het brandende stadhuis bijvoorbeeld een van de blijvende symbolen voor de Spaanse tirannie in de Nederlanden worden. De nadruk bij dit soort populaire werken lag bovendien vaak op de gruwelijkste en voor de Spanjaarden meest belastende episodes van de Opstand, hetgeen vanzelfsprekend een uitermate negatieve beeldvorming tot gevolg had.

 Wijnand Meijer

Oude drukken

Recveils d’Aretophile, contenans Par quels moyens les gens de guerre Espaignols ammenez es Pays bas par le Duc  d’Allue, s’estans mutinez en iceux diuerses fois, entrerent en Anuers le xxvj. d’auril xvclxxiij, où ils commirent innumerables desordres …. – A Lyon : Par Nicolas Guerin, 1578. – 128 p. ; 20 cm.
Knuttel 243: Schrijver van dit zeldzame boek, waarvan Motley getuigt dat het de beste autoriteit is voor een gedetailleerd verhaal van de Spaanse Furie, is Frédéric Perrenot, sieur de Champagney, broeder van kardinaal Granvelle. Zie: Mémoires de Frédéric Perrenot sieur de Champagney 1573-1590 / avec notice et annotations par A.L.P. de Robaulx de Soumoy. – Bruxelles : Heussner, 1860. – cxix, 426 p. ; 23 cm. – (Collection de mémoires relatifs à l’histoire de Belgique ; 6). Uitg. van: La Société de l’Histoire de Belgique. – Aan de kop van de titelp.: XVIe siècle.

Gascoigne, George, The spoyle of Antwerpe. Faithfully reported, by a true Englishman, who was present at the same. Nouem. 1576. Seene and allowed (Londen 1576). Digtaal te raadplegen via EEBO: https://eebo.chadwyck.com/home.

Warachtige beschrijuinghe van het innemen van Antwerpen, ende vande onmenschelijcke ende gants grouwelicke moort, brandt, plonderinge, onghehoorde vrouwen cracht ende maechden schenderye, by den Spaniaerden ende haren aenhanck den 4. Nouemb. Anno 1576. ende eenige dagen daer na, aldaer bedreuen, ghestelt door een die daer selfs teghenwoordich gheweest is (Antwerpen 1576).

Literatuur

Arnade, Peter, Beggars, iconoclasts and civic patriots (Ithaca, N.Y. 2008).

Génard, P., ‘La Furie Espagnole’, Annales de Académie Royale d’Archéologie de Belgique 32 (1876), 5-728.

Rooms, Etienne, ‘Een nieuwe visie op de gebeurtenissen die geleid hebben tot de Spaanse Furie te Antwerpen op 4 november 1576’, Bijdragen tot de Geschiedenis 54 (1971), 31-55.