1622


Op het Metalen pronck-Beeldt onlangs te Rotterdam
Opgerecht tot Eere vanden grooten Erasmus

Uit: Vondel, Werken , II, 418.

Door Joost van den Vondel
Wat wijsheyt Latium en Griecken hield besloten
Begreep gantsch Christenrijck sa haest ERASMUS quam,
En gaf met zynen naem aen’t Hollands Rotterdam
Een naem, vermidts hy was uyt haren schoot gesproten.

Zy, als de Nood het licht voor hem had afgeschoten,
Noch ‘t rottende gebeent’, noch ‘t stuyvende assche nam:
Maer rechte een steenen beeld. De Nijd spoog vyer en vlam,
En socht geweldigh hem van ‘t Outer af te stoten.

Dan laes! Geleerdheyds pronck sich keert aen nijd noch spijt.
Geen graf zijn Faem bestulpt, hy heldert met de tyd.
Zijn krans groent onverwelckt, en bloeyt in afgunst veyligh,

Die onlangs was van steen nu glinstert van metael.
En so de Nijd sich steurt aen dese pracht en prael
So gietmen licht van goud den Rotterdamschen HEYLIGH.

I. v. Vondelen.