Pieter Peckius

Leuven, 1562 – Brussel, 28 juli 1625

Raadslid en diplomaat

Biografie

Pieter Peckius werd geboren te Leuven. Zijn vader, Pieter sr., was afkomstig uit het Zeeuwse Zierikzee. Hij trok naar Leuven om rechten te studeren, en werd er later zelf professor in het burgerlijk recht. Auteur van enkele belangrijke juridische werken, was hij een van de meest beroemde professoren van zijn tijd. Onder zijn studenten telde hij heel wat figuren die later vooraanstaande posities zouden bekleden in het Spaans-Habsburgse overheidsbestel, zoals o.m. Jean Richardot, die hoofd-voorzitter van de Geheime Raad zou worden. Na een loopbaan van ca. 30 jaar aan de universiteit, stapte Pieter sr. in 1582 over naar de Grote Raad van Mechelen, waar hij raadsheer was tot zijn dood in 1589.

Zijn zoon Pieter jr. stapte in zijn voetsporen. Ook hij studeerde rechten te Leuven, en aansluitend werd hij advocaat verbonden aan de Grote Raad. In 1601 werd hij benoemd tot raadsheer in deze instelling. Zijn algemeen erkende vakbekwaamheid, en natuurlijk ook het uitgebreide netwerk van zijn vader, effenden voor Pieter jr. een pad dat zou leiden tot de hoogste bestuurlijk regionen van het land. Jean Richardot werd zijn beschermheer. Hij zorgde ervoor dat de aartshertogen Pieter Peckius benoemden tot hun ambassadeur in Parijs. Hij bekleedde deze functie van 1607 tot 1611, precies op het ogenblik dat de spanningen tussen Filips III en de Franse koning Henri IV ten top rezen, en Frankrijk zeer nauwe betrekkingen onderhield met de jonge Republiek. Pieter Peckius bevond zich daardoor in het epicentrum van de Europese internationale politiek.

In 1611 keerde Peckius terug naar de Zuidelijke Nederlanden, waar hem een benoeming wachtte tot raadsheer in de Geheime Raad. Tegelijk werd hij aangesteld tot hoofd van de militaire justitie van het land, al is het niet zeker dat hij deze functie ook effectief heeft uitgeoefend. In de Geheime Raad was hij een van de belangrijkste auteurs van het bekende Eeuwig Edict van Albert en Isabella (1611), dat geldt als een mijlpaal in het burgerlijk recht van de Zuidelijke Nederlanden. In 1614 volgde een benoeming tot vice-kanselier van de Raad van Brabant, maar spoedig, na de dood van kanselier Nicolas Damant in 1616, kwam hij zelf aan het hoofd te staan van de hoogste Brabantse instelling. Meteen werd hij ook opgenomen in de Raad van State, waardoor hij een van de meest invloedrijke raadsheren werd van de aartshertogelijke Nederlanden.

Hij bleef ook actief op het diplomatieke toneel. In 1612 werd hij door Albert naar Wenen gezonden om er te onderhandelen over de opvolging van de overleden keizer Rudolf II door aartshertog Mathias. In 1614 was hij de vertegenwoordiger van Albert en Isabella tijdens de vredesconferentie waarin de erfopvolging in Gulik en Kleef werd geregeld. Zijn wellicht meest opzienbarende missie volgde begin 1621, toen hij door de aartshertogen werd afgevaardigd om in Den Haag te onderhandelen over de verlenging van het Twaalfjarig Bestand. Het bleek een heikele opdracht die uitdraaide op een jammerlijke mislukking, Peckius werd in de Republiek op hoongelach onthaald.

De laatste jaren van zijn leven bracht hij door op het achterplan. Hij stierf in 1625, na een korte ziekte.

Zijn belangrijke staatkundige verantwoordelijkheden maakten van Peckius een van de steunpilaren van het aartshertogelijk regime. Hij behoorde tot de sociaal-politieke toplaag van zijn tijd, en dat dankte hij niet alleen aan zijn persoonlijke achtergrond en familiale voorgeschiedenis. Ook verschillende leden van zijn schoonfamilie behoorden tot de top van het Zuid-Nederlands bestel. Zo was zijn schoonbroer Jacques Boonen bisschop van Gent (1616-1620) en aartsbisschop van Mechelen (1620-1655).

René Vermeir

25 juli 2020

Literatuur

P. Claeys, “De wijze Nederlander: ambassadeur Petrus Peckius te Parijs, 1607-1611”, Tijdschrift voor Geschiedenis , 105 (1992), pp. 193-217

A. Gaillard, Le Conseil de Brabant. Histoire, organisation, procédure , Brussel, 1898

J.I. Israel, The Dutch Republic and the Hispanic World, 1606-1661 , Oxford, 1982

C. Thomas, ‘De l’affection, avec laquele je me dispose de la servir toute ma vie.’ Prosopographie des grands commis du gouvernement central des Pays-Bas espagnols (1598-1700), Brussel, 2011, II, pp. 572-574.