1580


Steenwijk ontzet

Uit: J. van Vloten, Nederlandsche geschiedzangen , II, 1864, 264-268.
Oorspronkelijke bron: Geuseliedtboeck

Op 18 oktober 1580 sloeg George de Lalaing, graaf van Rennenberg, koninklijk stadhouder van Groningen, het beleg voor het Staatse Steenwijk. De vestingstad werd energiek verdedigd onder leiding van Johan van den Corput. Op 22 februari 1581 brak de stadhouder het beleg van Steenwijk op.

Verheugt u boven maten,
Gy mannen ende vrouwen,
God sal hem niet verlaten,
Al die op hem betrouwen;
Als onsen hemelschen vaêr,
Hebben wy hem aengebeden,
Om zijn genade mede,
Ons te verlossen alle gaêr.

Ons gebet dat wy deden,
Dat heeft God nu verhoort,
Alsulcke kleyne steden,
Zo die worden vermoort,
vande tyrannen wreedt,
Als sy te Zutphen deden,
Te Naerden inder steden
En oock tot Haerlem mede.

Als leeuwen ende draken,
Lagen sy voor de stadt,
Om die arme schapen,
Die binnen Steenwijck sat,
Te vermoorden cleyn en groot,
Die daer binnen waren;
Maer Godt, die ginck haer sparen,
Die betrouden op zijn woort.

Het ontset was voorhanden,
Vande prins excellent,
Om dese Nederlanden,
Te maken fraey en jent,
Nu is Steenwijck verlost,
Nu mogen wy passeeren,
Met vreugde domineeren,
Haes-op hy spelen most.

Hooret doch sonder falen,
Ons volc quam met gewelt,
Ick sal het u verhalen,
Hoe sy waren gestelt,
Tegen haer vyanden fel;
Dat hebben sy vernomen,
Dat de Geusen zijn gecomen,
Met d’Engelsche Cornel.

Dat wil ick laten varen,
mijn hert was noyt so bly,
Om d’arme lieden die daer waren,
Datse nu bennen vry;
Looft God wt herten gront,
dHeer wildt den prins bewaren,
Met sijn soldaten allegaren,
Die Steenwijck trouw bystont.

Een ridder hoog-geboren,
De heer van Nieuwenoort,
Met zijn volck wtgecoren,
Die was gecomen voort,
Al na S. Jannes-camp,
Die Engelsche soldaten,
Som quamen haer te baten,
Verlostense wt Pharo’s hant.

Van daer zijnse gescheyden,
Met een so euvelen moet,
God die wil ons gheleyden,
Na Steenwijc metter spoet,
Dat bidden wy, o Heer!
En wilt ons helpen strijden,
Om d’arme te bevrijden,
Te helpen wt dat lijden seer.

Doen sy voor Steenwijc quamen,
En men dat binnen vernam,
Hun vendels sy vliegen sagen,
So lustelijck dat hy swam;
Ghy borgers allegaer,
Sodaten ende vrouwen,
Laet ons op God vertrouwen,
Die kan ons helpen wt lijden zwaer.

Waerom soo willen wy trueren? –
Het ontset is voor de handt,
De prins van Orangiën t’allen uren,
Die doet ons onderstant,
Al tegen onse vyant,
Om de stadt te doen ontsetten,
Haer ruyters doen dat letten,
Zy zijn so wel gemant.

Was dit niet Gods mirakel,
Al door een mans persoon,
Een schans die ginghen sy maken,
De stadt ontset te doen,
Zy liepen al een wech,
Daer quamen 300 peerden,
Vande Malcontenten gereden,
Nu hoort wat ick u segh.

Een enghels soldaet van binnen,
Hy stont al op de schans,
En riep met helder stemme,
Zeide: Duysman comt aen;
Keel of, so riep Hans Moff,
Met roepen ende beeren,
So ging hy hem verweeren,
Datse niet comen dorst.

Al waren se sterc te peerden,
Haes-op was daer de leus,
Steenwijc, die cleyne stede,
Voorwaer die blijft nu Geus;
O, Georgen van Laleyn,
Hoe hebt ghy ons voorgeloghen,
Ghy hebt u doch verbogen,
De stadt te krijghen in.

Hans Mof, die moest nu draven,
En moest ruymen met schant:
“Wat zijn wy arme slaven,
Alhier in vreemde lant,
Och, rijcke Heere Godt,
Geen betalinge hebben kregen,
En so lang hier ghelegen,
Wy ruymen noch met spot.”

Watse te Steenwijc deden,
Blijdlic hoort mijn vermaen,
De brooden op spiesse mede,
Zijnse de wal langs gegaen,
Die Malcontenten te spijt,
So binnen zijn ghegangen,
Ten toren wt gehangen,
Die brooden aen allen zijt.

Hoe heeft hun dat gespeten,
En den heer van Laleyn!
Lange neusen sonder eten,
Creghense alghemeyn;
Och! waerlick, lieber Hans,
Wat wilmer langer macchen,
Wy krijgen mager kacchen,
Zy hebben kost en dranck.

In Februario lestleden,
Den drie-en-twintichsten dach,
Doen wiert Steenwijck de stede,
Verlost alsoomen sach;
Hans Mof trock opte loop,
Wt haeren schansen te hoopen,
Haer ruyters daer af stooten,
Haes-op was goede koop.

Groeningen, gy meugt wel beven,
En laet u vrienden in,
Ghy wilt haer niet begeven,
Ghy zijt tot haer gesint;
Hebdy nu wel ghedaen,
Ghy meende ‘t waer al ghewonnen;
tVlas is gerockent, niet ghesponnen,
Die Geus wil u comen aen.