Coornhert, Dirck Volckertszoon

Amsterdam, 1522 (datum onbekend) – Gouda, 29 oktober 1590

Polemist, lekentheoloog, toneelschrijver, vertaler, graveur en notaris
Werkzaam als stadssecretaris van Haarlem (1562-1567) en secretaris van de Eerste Vrije Statenvergadering (1572)

Portret van geleerde, schrijver en kunstenaar Dirck Volckertsz Coornhert met een hoed op zijn hoofd. Onderaan in de marge zijn naam en een vers over hem in het Nederlands. Rijksmuseum Amsterdam , objectnummer: RP-P-OB-24.766.

Biografie

Dirck Volckertszoon Coornhert werd in 1522 geboren in de toen deftige Warmoesstraat in Amsterdam, alwaar zijn familie fortuin had gemaakt in de lakenhandel. Reeds op vroege leeftijd verliet hij gebaande wegen om een eigenzinnig levenspad te volgen. Zo verspeelde hij op 17-jarige leeftijd zijn erfrecht door te trouwen met Cornelia Symons. Vanwege de lagere komaf van zijn bruid, weigerden zijn ouders toestemming aan het huwelijk. Coornhert zette toch zijn zin door en zag zich voortaan gedwongen zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. Achtereenvolgens was hij in zijn jonge jaren werkzaam als hofmeester op het slot van Reinoud III van Brederode, als graveur voor onder andere Maarten van Heemskerck en als notaris in Haarlem. In deze laatste hoedanigheid kwalificeerde hij zich voor de post van stadssecretaris. Zijn vele dienstreizen deden hem vertrouwd raken met de politieke elite van Holland. In de roerige jaren 1566 en 1567 maakte hij deel uit van de Haarlemse delegatie naar de Statenvergaderingen en kwam hij in contact met invloedrijke opstandelingen, waaronder de Prins van Oranje. Dit kwam hem in 1567 duur te staan. Na de intocht van de hertog van Alva volgde zijn arrestatie en gevangenneming. Coornhert wist in 1568 te ontkomen naar Duitsland waar hij onder andere in Keulen, Emden en Xanten neerstreek. In deze periode van ballingschap zette hij zich met verve in voor de Opstand, onder andere door financi�le steun te verwerven voor de opstandelingen.
Bij zijn terugkeer in de Nederlanden in 1572 werd hij beloond met een uiterst eervolle benoeming: secretaris van de Eerste Vrije Statenvergadering van Holland. In deze functie kwam hij al snel in conflict met de radicale geuzenvoorman Lumey, die zelfs opdracht gaf Coornhert te doden. Een tweede periode van ballingschap volgde; pas in 1576, na de afkondiging van de Pacificatie van Gent, was het voor Coornhert veilig om naar de Nederlanden terug te keren. Hij hervatte zijn vroegere notari�le werkzaamheden in Haarlem, nu hij voor politieke functies niet meer in aanmerking kwam. Daarvoor had hij zich in de loop der jaren te veel gecompromitteerd. Dit weerhield Coornhert echter niet zich actief in te laten met de politiek-godsdienstige twisten die het openbare leven in de jonge Republiek domineerden. Interne verdeeldheid verhinderde zijns inziens een sterke verdediging van de opstandige gewesten tegen de oprukkende troepen van Alexander Farnese, beter bekend als de hertog van Parma. Na de afbrokkeling van de Pacificatie van Gent dreigde de burgeroorlog in de Nederlanden inderdaad weer in alle hevigheid op te laaien. Deze chaotische, onvoorspelbare en beangstigende situatie op politiek, militair en religieus vlak, werd door Coornhert als ‘een nacht van onwetendheid’ ervaren en vormde de betekenisvolle achtergrond van zijn denken in de vroege jaren van de Opstand.
Coornhert zocht in zijn talrijke geschriften naar praktische oplossingen voor de problemen van zijn tijd, die hij geworteld zag in de politiek-godsdienstige verdeeldheid als gevolg van de Opstand. Alleen een sterk binnenlands staatshoofd zou naar zijn mening de politiek-bestuurlijke eenheid binnen de Nederlanden kunnen herstellen. Natuurlijk dacht hij hierbij in eerste instantie aan de Prins van Oranje. Na de moord op de Prins in 1584 zag Coornhert het meeste heil in een verbond met de Franse koning. Om niet tegen de Spanjaarden ten onder te gaan, zou voor de Noordelijke Nederlanden de militaire steun van Franse zijde onmisbaar zijn. Coornhert verspreidde dergelijke politieke standpunten door middel van pamfletten, maar het blijft natuurlijk de vraag in hoeverre deze de loop van de politieke gebeurtenissen hebben kunnen be�nvloeden.
Van groter praktisch effect was in elk geval zijn optreden als woord- of pennenvoerder voor anderen. Zo componeerde hij in 1579 een uitgebreid verdedigingsgeschrift in opdracht van het Leidse stadsbestuur. In dit befaamde stuk namen de Leidse bestuurders fel stelling tegen de gereformeerde kerk die overheidsbemoeienis met kerkelijke aangelegenheden probeerde af te weren. In 1582 zou een tweede stuk van Coornherts hand volgen, wederom ter verdediging van de Leidse magistraat tegen al te vergaande machtsaspiraties van de gereformeerden. Coornhert stelde zijn diensten ook ter beschikking van de verdrukte rooms-katholieken in Haarlem. In een rekest van zijn hand werd in 1581 verzocht om meer geloofsvrijheid voor deze groep aan wie de openbare geloofsuitoefening was verboden. Coornherts strijd tegen de nieuwe gereformeerde publieke kerk was overigens meer dan incidenteel: zij loopt als een rode draad door welhaast al zijn polemische werken. Coornhert beschouwde de gereformeerden als medeplichtig aan de troebelen in de Nederlanden. Door zich af te splitsen van de roomse moederkerk hadden zij, naar zijn oordeel, de geloofsverdeeldheid bestendigd en dreigde zelfs een nieuwe periode van onderdrukking, belichaamd in een zogenaamde ‘Geneefsche Inquisitie’.
Coornhert bepleitte een politiek van godsdienstige verdraagzaamheid: omwille van het geloof diende geen bloed te vloeien. Alleen rust en vrede zouden de eendracht wederom dichterbij brengen. Coornherts idee�n moeten veel weerklank hebben gevonden, want gereformeerde predikanten hebben zich er niets aan gelegen laten liggen hem te bestrijden. Coornhert bestempelde de gereformeerde kerk als een valse kerk, zelfs als sekte, en verkondigde zijn mening op luidruchtige wijze en met indrukwekkend veel kennis van zaken. Het hoog oplaaiende conflict tussen Coornhert en de gereformeerden baarde de autoriteiten zorgen. De Staten van Holland deden er alles aan maatschappelijke onrust te voorkomen en met dit doel voor ogen verboden zij Coornhert in 1579 nog verder te schrijven tegen de gereformeerde kerk. De gereformeerde, publieke kerk werd aldus in bescherming genomen. Zij fungeerde als steunpilaar van de Opstand en Coornhert werd dan ook door zijn vijanden verweten het front tegen de Spanjaarden te verzwakken. Gezien de politieke omstandigheden kon zijn felle kritiek op de gereformeerde kerk en weigering de katholieke kerk te verlaten, moeilijk in overeenstemming worden gebracht met zijn openlijk beleden trouw aan de Opstand. De ambivalente godsdienstpolitiek van de Staten – enerzijds kwam de gereformeerde kerk exclusieve steun toe en werd de openbare uitoefening van bijvoorbeeld het katholieke geloof verboden, anderzijds handhaafden zij een politiek van gewetensvrijheid – liet Coornhert echter voldoende marge om zijn stem bij voortduring te verheffen. Zo verhinderde het publicatieverbod van de Staten niet dat hij in 1583 opnieuw de gelegenheid zou krijgen zijn theologische denkbeelden tijdens een openbaar debat, een zogenaamde disputatie, te verkondigen.
Deze denkbeelden zijn overigens moeilijk te duiden. Coornhert bleef trouw aan de rooms-katholieke kerk, hoewel hij ook deze kerk als corrupt en vervallen beschouwde. Teneinde moreel verval geen kans te gunnen, bepleitte Coornhert vooraleerst een verinnerlijkt geloof dat niet per se aan een kerkgemeenschap verbonden hoefde te zijn. In spiritualistische zin sprak hij over de onzichtbare gemeente van Christus, die voor de ware gelovige te vinden was temidden van de gecorrumpeerde aardse geloofsgemeenschappen. Voortgaand op het kompas van de menselijke rede en met de vrije wil als onmisbaar instrument, lag voor iedere gelovige de weg tot de volmaaktheid open. Coornhert staat daarom bekend als perfectist. De goddelijke genade stelde volgens Coornhert de mens in staat aan zijn heil bij te dragen en voor het goede te kiezen. Zijn gehele oeuvre is doordrongen van deze sterke morele geladenheid. Als Coornherts hoofdwerk geldt veelal zijn Zedekunst dat is Wellevenskunste (1585), de eerste ethica in de Nederlandse taal.
Tot aan zijn dood in 1590 verdedigde de onvermoeibare Coornhert zijn denkbeelden tegenover gereformeerde predikanten en eminente geleerden als de Leidse hoogleraar Justus Lipsius. Zijn polemische geschriften – hoe omvangrijk ook – zijn echter slechts een onderdeel van zijn totale oeuvre. We vinden zijn politiek-godsdienstige gedachtegoed evengoed terug in toneelstukken, liederen, brieven en prenten van zijn hand. Kenmerkend voor zijn denken is ook het beroemde traktaat Boeventucht, waarin Coornhert lijfstraffen verwerpt en een strafmaat bepleit die de zedelijke verheffing van de misdadiger zou kunnen bevorderen. Vertalingen van klassieke werken, tenslotte, waarin Coornhert het Nederlands tot literaire taal wist te verheffen, completeren het belangwekkende erfgoed van deze heethoofdige geleerde.

Marianne Roobol

Literatuur

A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden III (Haarlem, 1858) 696-704

Nieuw Ne de rlandsch Biografisch Woord en boek X (Leid en , 1937) 207-215 (A.W.Sijthoff)

Roobol, M., Disputation by decree: The public disputations between reformed ministers and Dirck Volkertszoon Coornhert as instruments of religious policy during the Dutch Revolt (1577-1583) (Studies in medieval and reform traditions 152; Leiden, 2010)

Recensie door Andrew Pettegree, University of St.Andrews, in BMGN: Low Countries Historical Review, Volume 127-1 (2012) (Pdf)

Werken

Een corte beschrijvinghe van pijn ende droefheyt (1556)
Verschooninge van de Roomsche afgoderye (1560)
De dolinge van Ulysse (1561)
Officia Ciceronis, leerende wat yeghelijck in allen staten behoort te doen, bescreuen int Latijn (1561)
Ofde siele, dan of de wille zondight, ondersoeck (1563)
Eenen nieuwen ABC of materi-boeck (1564)
Vant oordelen, gesprake tusschen vermetel oordeel ende bescheyden ondersoeck (1564)
Vijftigh lustighe historien oft nieuwigheden Joannis Boccatij (1564)
Tsamensprekinghe, waar in bewesen wort dat hy niet goet en wil worden die quaat blijft (1568)
Van de toelatinge ende decrete Godts (1572)
Abrahams uytgangh (1575)
Schijndeugd der secten (1575)
Van den bejaerden doope (1575)
Twee-spraeck, of waerheydt vry maeckt? (1580)
Toetzsteen der ware leeraren (1581)
Van des menschen natuerlijcke vleesch wondersproock (1581)
Comedie van lief en leedt (1582)
Comedie vande blinde voor Jericho (1582)
Comedie vande rijckeman (1582)
Lijdens troost (1582)
Synodus van der conscientien vryheydt (1582)
Tweeling: Vanden bruydt Christi (1582)
Uut-roedinge van des verderfs plantinghe, dragende die verderffelijcke vrucht (1582)
Vande Egyptische vroeyvrouwen (1582)
Van de onwetenheyt der menschen, die daer is onschuldigh of schuldigh (1583)
Ladder Iacobs, of trappe der deughden (1584)
Van de vreemde sonde, schulde, straffe nasporinghe (1584)
Van den aflaet Iesu Christi (1584)
Bo�thius: Van de vertr��sting der wysheyd (1585)
Recht ghebruyck en misbruyck van tijdlycke have (1585)
Zedekunst dat is wellevenskunste (1585)
Boeven-tucht (1587)
Hert-spiegel godlijcker schrifturen (1589)
Van den onderscheyt tusschen die ware ende valsche leere (1589)
Vande predestinatie, verkiesinghe en de verwerpinghe Godes (1589)
Comedie van Israel (1590)
Kleyn-munster, des groot-roemigen David Jorisens roemrijcke ende wonderbare schriften elckerlijck tot een proeve gestelt (1590)
Opperste ghoeds nasporinghe (1590)
Proces van ‘t ketterdooden (1590)
t’Roerspel vande kettersche werelt (1590)
Suyveringe opten titule (16de eeuw)
Consistorie, handelende van ‘t niet hanteren des nachtmaels (? (16de eeuw))
Corte berispinge. Vande leere Calvini vande voorsienigheyt Godes (? (16de eeuw))
Dat des Duyvels wet swaar is ende lastigh (? (16de eeuw))
Dat Godts gheboden licht zijn ende leerlijck (? (16de eeuw))
Der maeghdekens schole (? (16de eeuw))
Disputatie over den catechismus van Heydelbergh, openbaerlijck voor den volcke gehouden op’t Hof van ‘sGraven-Haghe in Hollandt, anno 1583 (? (16de eeuw))
Het kruyt-hofken (? (16de eeuw))
Nadencken opt sevende Capittel totten Romeynen (? (16de eeuw))
Oft gheloove saligh maeckt sonder wercken (? (16de eeuw))
Oogh-water (? (16de eeuw))
Tragica-comedia vanden thien maeghden (? (16de eeuw))
Tweede Verantwoordinge Eens eenigen Sendbriefs, Eerst aen-getast zijnde by Doctor Lambertus Danevs, Ende nu andermael by den Predicanten tot Delft (? (16de eeuw))
Vereeninghe van sommighe strijdich-schijnende sproken der h. schrifturen (? (16de eeuw))
Waarachtighe aflaat van zonden (? (16de eeuw))
Wagen-spraeck (? (16de eeuw))
Dat onverstandigh blijven des menschen eenighe zonde ende oorsake van alle doolinghen zy (?(16de eeuw))
Dattet afsterven vant quade licht valt (?(16de eeuw))
Hemel-werck, ofte quay-toe-verlaet (?(16de eeuw))
Levende kalck (?(16de eeuw))
Oorsaken ende middelen vander menschen saligheyt ende verdoemenisse (?(16de eeuw))
Tsamensprake of de quade willich quaat zijn of onwilligh: tusschen Peter ende Jan (?(16de eeuw))
Vande sendinghe (?(16de eeuw))
Vre-reden, of onderwijs tot eendracht, vrede ende liefde, in dese tyden hoogh-noodigh (?(16de eeuw))
Lied-boeck (ca. 1575)

<