Alba, Fernando Álvarez de Toledo, derde hertog van

Piedrahita (Avila, Castilië), 29 oktober 1507 – Tomar, 12 december 1582

Fernando Alvarez de Toledo, derde hertog van Alva (Alba de Tormes, Castilië), hertog van Huescar, markies van Coria, graaf van Salvatierra, ridder in de orde van het Gulden Vlies. Spaans veldheer, vice-koning van Napels, gouverneur van Milaan, lid van de Spaanse Raad van State (Consejo de Estado), gouverneur-generaal van de Nederlanden 1567-1573.

Biografie

(NB English version follows the Dutch)

Don Antonio Álvarez de Toledo y Beaumont, de vijfde hertog van Alva (1568-1639) volgde op woensdagavond 13 november 1621 vanaf een balkon in de viering van de dominicaner kerk San Esteban in Salamanca de ter aardebestelling van zijn grootvader, Don Fernando Álvarez de Toledo y Pimentel, el Gran Duque de Alba. De kleinzoon had in de kerk een indrukwekkende katafalk laten oprichten in de vorm van een schitterend mausoleum. Op het basement dat bijna het hele grondoppervlak van de kruising van de kerk in beslag nam, was een tumulus gebouwd met drie etages die tot boven in de vieringtoren reikte. De hertog gezeten op een troon bekleed met rode velours was tot tranen toe bewogen tijdens de ceremonie die vooraf was gegaan door anderhalf uur polyfonisch koorgezang. De stoffelijke resten van de Gran Duque die uit het klooster van San Leonardo de Alba die dag onder grote publieke belangstelling met veel pracht en praal waren overgebracht naar Salamanca, werden naar beneden gedragen in de nieuw gebouwde crypte waar ze hun laatste rustplaats kregen. [1]

Met de bijzetting in de crypte van de dominicaner kerk in Salamanca ging de wens in vervulling die Alva en zijn vrouw in 1580 testamentair hadden vastgelegd voordat de hertog zijn militaire campagne naar Portugal zou ondernemen. De verwezenlijking van hun laatste wil was echter niet eenvoudig geweest. Er hadden zich verschillende problemen voorgedaan. Afgezien van financiële obstakels waren er juridische geschillen met andere aanzienlijke families over grafrechten en over het patronaat van de kerk en het bijbehorende klooster. Bovendien waren de vieringtoren, het priesterkoor en de crypte daaronder bij het overlijden van de hertog en hertogin nog in aanbouw. Don Antonio en zijn vader hadden zich beijverd voor het wel en wee van de San Esteban, zoals veel Spaanse adellijke geslachten en gefortuneerde patriciërs in de zestiende en zeventiende eeuw zich inspanden een kerkelijke instelling onder hun hoede te laten floreren. In 1619 waren de werkzaamheden af en hadden de Alva’s het patronaat en alle grafrechten van de kerk verworven. De herbegrafenis was een soort ceremonieel slotstuk van de bouw en een openbaar vertoon van de voogdij van het geslacht Alva over de kerkelijke instelling. De prominente plaats die de Gran Duque in de grafkelder tussen zijn overleden familieleden innam was geen toeval. Hij was op afstand de beroemdste telg van zijn geslacht en is dat ook altijd gebleven. Zijn hoge positie en roem werden in de optocht van San Leonardo de Alba naar Salamanca en door de straten van de stad nog eens onderstreept door de attributen die in de lijkstoet werden meegedragen. De doodskist van de hertog was versierd met de vele decoraties en onderscheidingen die hem in zijn leven ten deel waren gevallen. Naast de baar gingen twee kleinzoons te paard met een gewijde hoed en een gewijd zwaard, beide met goud en dure stenen bezet. Paus Pius V had in 1569 een bijzonder gezantschap naar de Nederlanden gestuurd om hem deze attributen te overhandigen vanwege zijn bijzondere verdiensten als verdediger van de kerk van Rome. Erachter ging een page te voet met de standaard van kapitein-generaal, symbool voor het militaire opperbevel dat Karel V hem had opgedragen in Duitsland en Filips II in Italië, de Nederlanden en Portugal. [2]

Fernando Álvarez de Toledo, derde hertog van Alva was een van de meest prominente personen van zijn tijd. Hij was de beroemdste Spaanse legeraanvoerder in de gloriedagen van de Spaanse geschiedenis en was bij vrijwel alle belangrijkste Europese politieke gebeurtenissen in het midden van de zestiende eeuw op een of andere manier betrokken. Hij was ook een hoogst omstreden persoon in zijn tijd en later tot eeuwen daarna een dankbaar onderwerp van geschiedschrijving voor allerlei doeleinden en vanuit vele gezichtspunten. In eigen land werd hij aanvankelijk over het algemeen geprezen als groots staatsman maar vooral als militair, doch op den duur raakte hij in de vergetelheid. In het buitenland was hij bekender, maar genoot er een uiterst slechte reputatie. Alva vertegenwoordigde voor vijandig gezinde tijdgenoten en voor latere generaties alle verwerpelijke eigenschappen die de tegenstanders van de Spanjaarden hun toedichtten. Alva is een van de kernelementen van de Zwarte Legende, de anti-Spaanse propaganda die door de tegenstanders van de Spanjaarden door de eeuwen heen is gevoerd. In Engeland en Nederland groeide hij uit tot het archetype van het kwaad. Het leven van deze hoofdrolspeler in de gebeurtenissen van de zestiende eeuw heeft door de eeuwen heen de aandacht van velen getrokken, gefascineerd, enerzijds bewondering gewekt maar anderzijds afkeer en zelfs afschuw. Een kort overzicht van de contrastrijke historiografische beeldvorming van de hertog van Alva sinds zijn verschijning in de Europese geschiedenis toont aan hoe verschillend en polemisch over deze intrigerende, fel omstreden, persoonlijkheid is gedacht en geschreven vanuit verschillende visies en met velerlei motieven. Opvallend is dat in feite eerst in 1983 een biografie is verschenen die de persoon Alva in zijn vele aspecten en karaktereigenschappen bestudeert. [3] Tegen de achtergrond van zijn tijd en directe omgeving heeft Maltby de persoon Alva en zijn handelen begrijpelijker gemaakt, dan de voorafgaande studies waarin de hertog hoofdzakelijk gekarakteriseerd wordt in stereotiepe termen. Hoewel deze biografie gezaghebbend is en tot nog toe de meest volledige, is ze geen paradigma. In de huidige dynamische, internationale en productieve wereld van de academisch historische studie hebben onderzoekers nieuwe inzichten aan het licht gebracht door nieuwe vragen te stellen. In dit bibliografische artikel zullen die voor het voetlicht worden gebracht.

Het ontstaan van een legende

Tijdens zijn leven was de hertog van Alva een vermaard legerleider onder meer vanwege zijn aandeel in de overwinning van keizer Karel V op de protestantse troepen in Mühlberg in 1547, zijn militaire operaties in Italië en de Nederlanden en de verovering van Portugal. In Spaanse regeringskringen werden de tercios, de beroemde Spaanse infanterietroepen, gewaardeerd als de belangrijkste steunpilaar van het rijk. Vroegmoderne Spaanse geschiedschrijvers, waaronder oud-strijders in de Nederlanden, schuiven Alva naar voren als overwinnaar en meesterlijk veldheer vanwege zijn persoonlijke triomfen. [4] De hertog en zijn officieren konden ook rekenen op de aandacht van contemporaine buitenlandse militaire experts als Blaise de Monluc, Sir Roger Williams en François de la Noue die het Spaanse leger als een van de beste van Europa beschouwden. De Ejército de Flandes, het Spaanse leger in de Nederlanden, het eerste staande leger in Europa, werd gezien als het toppunt van militaire perfectie en het bolwerk van de Spaanse macht in Europa grotendeels dankzij de reputatie van Alva als organisator en bevelhebber. [5] Zijn militaire kwaliteiten werden tijdens zijn leven geprezen door bijvoorbeeld Juan Cristóbal Calvete de Estrella die een episch gedicht in 1573 in Antwerpen in het Latijn liet verschijnen waarin hij Alva vergelijkt met de grote legerleiders uit de Oudheid. [6] Ook Garcilaso de la Vega, vriend en krijgsmakker, schreef lofdichten op de heldendaden van de hertog op het slagveld. [7]

Maar er was ook kritiek op de man, ook vanuit militaire hoek. Afgezien van de slag bij Mühlberg en Jemmingen (Jemgum 1568) zou de hertog geen aansprekende overwinningen hebben behaald en hij had daarentegen een aantal forse nederlagen moeten incasseren, bijvoorbeeld in de Provence, Algiers, voor Metz, in Italië en in de Nederlanden. Bovendien hield hij er een tactiek op na die over het algemeen niet als heldhaftig werd beschouwd en die door sommigen ronduit als laf werd betiteld. [8] De ervaring had Alva geleerd de confrontatie in het open veld zoveel mogelijk uit de weg te gaan. Met omtrekkende bewegingen probeerde hij de vijandelijke legers uit te putten en uit elkaar te laten vallen als gevolg van instortende discipline, tekorten aan bevoorrading en soldij. Daarmee wekte hij de indruk een aanvoerder te zijn die te bedeesd was om de strijd aan te gaan of die van een twijfelaar die niet kon beslissen wanneer hij moest aanvallen. Desalniettemin bleek deze strategie in de campagne langs de Donau (1546) en de Elbe (1547) effectief en ook later in de Povlakte en in de Nederlanden toen hij de legers van Willem van Oranje in 1568 zonder veel krijgsgeweld wist te verjagen. [9] Wellicht kan deze krijgsopvatting van Alva juist gezien worden als een van zijn militaire verdiensten omdat hij er onnodig bloedvergieten mee heeft vermeden en zijn troepen mee heeft gespaard. Deze tactiek vereiste een uitstekende logistieke organisatie, een ijzeren discipline van zijn manschappen en een gezaghebbende, geoefende legerleiding. Zijn kwaliteiten op deze terreinen van de krijgskunst waren algemeen erkend als zijn sterke punten. [10] Zijn uitgesproken ideeën over de oefening van de rekruten en bevelvoering zijn terug te vinden in zijn Discurso sobre la reforma de la milicia en in de militaire verhandelingen van zijn ondergeschikten, in het bijzonder in die van Don Sancho de Londoño. [11] Alva had daarnaast ook een bijdrage geleverd aan de vernieuwing van het krijgsbedrijf door een aantal militair technische hervormingen in de samenstelling van de tercios door te voeren die de vuurkracht van het Spaanse leger hebben vergroot. [12]

In de kringen rond Karel V en aan het koninklijke hof van Filips II in Madrid stond hij ook bloot aan kritiek. De keizer die Alva goed kende omdat hij hem jarenlang als raadgever aan zijn zijde had gehad, waarschuwde zijn zoon voor de mateloze ambitie van de man. In 1543 toen hij naar Duitsland vertrok, liet hij voor Filips die hij het regentschap over zijn Spaanse bezittingen had opgedragen een aantal raadgevingen achter. Hij waarschuwde zijn zoon ervoor niet onder de invloed van een van zijn raadslieden te raken. Over Alva schreef hij nogal onbevangen:

In the time that he has been in my service I have discerned in him great ambition and the desire to rise as high as possible, even though he began with great humility and meekness. Take care, son, that he does not dominate you for you are much younger. Be careful not to let him or other grandees get a firm footing in government, because they will use every means they have to gain control over you, and afterwards you will regret it. Apart from that I let him participate in councils of State and War. Employ him and honour him and favour him, for he is the best [general] that we have at present in these realms. [13]

Alva heeft kennelijk geweten of in ieder geval aangevoeld dat hij niet het volledige vertrouwen van de keizer heeft kunnen winnen en heeft zich daardoor verongelijkt en miskend gevoeld. [14] Later, in 1555, toen Karel V zich verzette tegen het voorstel van Filips II om Alva tot opperbevelhebber van de Spaanse strijdkrachten in heel Italië (cargo de Italia) te benoemen, sloeg de teleurstelling van de hertog om in ferme kritiek op de keizer. Hij beschuldigde Karel ervan de Fransen alleen maar in de kaart te hebben gespeeld door zijn aanstelling als opperbevelhebber tegen te werken. [15] Ook Filips II had op den duur zijn reserves ten opzichte van Alva wiens gezelschap hij niet op prijs stelde omdat hij hem persoonlijk eigenlijk niet mocht. Maar hij erkende zijn militaire capaciteiten, zijn loyaliteit en voelde zich gesterkt door zijn besluitvaardigheid bij het nemen van beslissingen. Daarnaast waardeerde hij Alva’s ideeën over internationale politiek en godsdienst die hij in grote lijnen met hem deelde. [16]

Alva had tegenstanders genoeg aan het Spaanse hof die vrijwel geen moment ongelegen lieten om hem in een kwaad daglicht te stellen. Rivalen in de bikkelharde factiestrijd aan het hof grepen hun kansen om het falen van de hertog in Italië en de Nederlanden aan de kaak te stellen. Ruy Gómez de Silva, prins van Éboli, Alva’s grootste concurrent in de strijd om de gunst van de vorst, placht de hertog zijn wellicht zwakste eigenschap, zijn ongebreidelde ambitie te hekelen. In diplomatieke en hofkringen werd Alva’s hovaardige gedrag niet gewaardeerd. De Venetiaanse ambassadeur aan het Spaanse hof, Federico Badoero, had een vernietigend oordeel over Alva: ‘Presume gran cose, ed è colmo d’ambizione e superbia, inclinato all adulazione ed invido molto. … Nella Corte non è amato, stimamdolo molti pochissimo cuore e prudenza …’ [17] En hij stond in zijn oordeel niet alleen, want ook zijn opvolgers in het ambt, Michele Soriano en Alberto Badoero, waren van mening dat de hertog leed aan grenzeloze hoogmoed en ambitie die gepaard ging met naijver en rancune. De Franse gezant in Madrid, Sébastien de l’Aubespine, hekelde de aanmatigende ambitie van Alva die hij inschatte als kenmerkend voor de hele familie Toledo en wellicht voor de meeste grandes van Spanje. Alva, zo oordeelden buitenlandse diplomaten aan het Spaanse hof, liet zich voorstaan op zijn hoogadellijke afkomst en koesterde zijn aristocratische voorrechten, terwijl hij een diepe minachting had voor alle nieuwkomers van lage geboorte die de gunst van de koning hadden weten te verkrijgen. [18]

Desalniettemin was hij in staat mensen aan zich te binden. Don Fernando stond aan het hoofd van de machtige Toledo-clan die invloed had in Castilië, het Spaanse hof en in Italië. In 1548 benoemde Karel V de hertog tot mayordomo mayor (opperhofmeester) van het hof van prins Filips en Alva maakte gebruik van deze functie om een uitgebreid netwerk van cliënten en volgelingen op te bouwen. Niet alleen door middel van traditionele banden en zijn functies maar ook door zijn persoonlijke kwaliteiten wist hij mensen aan zich te binden die hun vertrouwen in hem stelden. Tot 1580 was hij de onbetwiste leider van een van de twee grote facties of bandas die de politiek in het Madrileense hof zouden domineren. [19] Alva’s factie, die haar oorsprong destijds zou hebben gevonden in een groep trouwe volgelingen van Ferdinand de Katholieke, profileerde zich in de loop van de jaren 1550 als een groep met een eigen politieke identiteit ten opzichte van de rivaliserende factie rondom Ruy Gómez. De albistas waren er voorstanders van het rijk een Spaans karakter te geven door de belangrijkste bestuursposten door Spanjaarden en bij voorkeur Castilianen te laten bezetten. Daarnaast wensten ze een harde en formele lijn te volgen ten aanzien van godsdienstzaken in het rijk, maar ook een onverzettelijke houding aan te nemen ten opzichte van de protestanten in binnen- en buitenland. Alva werd dikwijls geïdentificeerd als de exponent van deze strenge religieuze politiek die door Filips II grotendeels werd omarmd. [20 ] Wellicht kwam dat het sterkst tot uitdrukking tijdens de Entrevue de Bayonne.

In 1565 zond de Spaanse koning de hertog als bijzondere gezant naar Bayonne in Zuid-Frankrijk om met Catharina de’Medici, de Franse koningin-regentes overleg te plegen over een alliantie tussen Frankrijk en Spanje. Het enige draagvlak voor een overeenkomst met Catharina, die steun zocht bij Filips om haar greep op het bestuur van Frankrijk te verstevigen, was in de ogen van de koning en van Alva een harde politiek tegen de Franse protestanten. De hugenoten waren een van de grootste bedreigingen voor de integriteit van de Spaanse Monarchie. Filips en Alva vreesden dat de hugenoten de calvinisten in de Nederlanden zouden steunen in hun strijd voor de uitoefening van hun godsdienst en Filips daar grote problemen in eigen huis zouden bezorgen. Door zijn weinig omfloerste optreden te Bayonne laadde hij de verdenking op zich het gruwelijkste met de hugenoten voor te hebben gehad. En die verdenking was niet onterecht. Tussen de onderhandelingen door trachtte hij contacten te leggen met de ijzervreters onder de Franse katholieken en hun uit te leggen hoe om te gaan met het protestantse probleem. Omdat de hugenoten maar een minderheid vormden, aangevoerd door een klein aantal leiders, zou in zijn ogen een snelle gewelddadige actie tegen hen volstaan: ‘… het zijn er maar vijf of zes die leiding geven aan dit alles. Ze zouden gevangen genomen moeten worden en hun hoofden afgehakt of verbannen naar een plaats waar ze niet meer kunnen uithalen wat ze tot nu toe hebben gedaan …’ [21] Zelfs zou hij woorden van soortgelijke strekking en met dezelfde directheid aan de koningin-regentes hebben geuit. [22]

Alva had zijn opdracht in Bayonne volgens de wens van Filips II volbracht maar had in Frankrijk en daarbuiten bijgedragen aan het angstige vermoeden dat de hele operatie een voorbereiding was op een gezamenlijke gruwelijke aanval op het protestantisme. [23] Niet alleen onder protestanten maar ook onder volgelingen van de katholieke godsdienst waren er die meenden dat de hertog persoonlijk verantwoordelijk gehouden moest worden voor de aanstichting van geweld. Alva besefte dat hij die indruk had gewekt doordat hij zijn ware overtuiging niet genoeg voor zich had gehouden. Hij vond het kennelijk nodig om dat beeld te corrigeren en in een gesprek dat hij later met de Franse ambassadeur Antoine Ebrard Saint-Sulpice in Madrid voerde, heeft hij gezegd:

‘Je sais bien qu’aucuns ont pensé que j’avais tout autrement conseillé leurs Majestés et que je les avais engagées à prendre les armes contre ceux de l’autre religion; mais en vérité, je ne suis pas allé en France pour un si mauvais office, et à coup sûr le roi mon maitre m’eut désavoué.’

Saint-Sulpice bevestigde dat er mensen waren die er toch zo over dachten en dat het hem veel moeite kostte die indruk bij hen weg te nemen. [24]

Desondanks volgde Alva in zijn benadering van Elisabeth van Engeland en de Engelse protestanten ogenschijnlijk een heel andere koers. Hij was een van degenen die tot lang toe bij Filips pleitte voor een goede verstandhouding met de Engelse vorstin en de katholieke zaak in Engeland met de grootse omzichtigheid te behartigen. Kennelijk ging in bepaalde omstandigheden voor de hertog het politieke belang van de Spaanse Monarchie, voor zolang als het duurde, boven dat van de katholieke kerk. Alva was een overtuigd en onwrikbaar katholiek zonder begrip voor afvalligen, maar bovendien was voor hem rebellie tegen het vorstelijk gezag waarschijnlijk laakbaarder dan ketterij. Dat standpunt hield hij er ook op na toen hij in 1567 voor zijn vertrek naar de Nederlanden aan de Franse ambassadeur in Madrid nog liet weten dat hij niet tegen ketters maar tegen rebellen zou gaan optreden. Maar rebellie en ketterij waren twee zaken die niet alleen in Alva’s opvattingen nauw met elkaar verweven waren omdat men er algemeen van overtuigd was dat religieuze pluriformiteit het gezag van de vorst ondermijnde en de samenleving ontwrichtte. [25]

Door Willem van Oranje en vele van zijn volgelingen echter was er kennelijk aanleiding genoeg om te veronderstellen dat Alva namens Filips II met de Franse kroon al in 1565 in Bayonne een overeenkomst had gesloten met het doel overal in Europa het protestantisme uit te roeien en te geloven dat met de massamoord in de Bartholomeusnacht in 1572 het beginsignaal daartoe was gegeven. [26] In zijn Apologie , het verweerschrift van Willem tegen de ban die Filips in 1580 over hem had uitgesproken, herhaalde hij nog eens wat hij wist van de intenties van Alva om de hervormden uit te roeien door te verwijzen naar het onderhoud dat hij met Hendrik II van Frankrijk in 1559 erover had gehad. De vorst verkeerde in de veronderstelling dat Willem al over de plannen tot kettervervolging was ingelicht en sprak volgens Willem met hem vrijuit over de wrede bedoelingen van de Spaanse koning en Alva. [27]

In de Apologie zijn Alva en zijn optreden in de Nederlanden vele malen het onderwerp van kritiek van de prins van Oranje, maar bovendien is de hertog het mikpunt in de systematische propaganda die de opstandelingen voerden tegen de Spanjaarden. Tijdens zijn leven heeft Alva de meeste reputatieschade in de Nederlanden opgelopen door de verbreiding van gemanipuleerde negatieve beelden en ideeën over zijn persoon in pamfletten, zinnenprenten, liederen en zo meer. Hoewel de Spanjaarden in Duitsland en Italië een slecht imago hadden heeft geen ander volk de Spanjaarden en Alva als de exponent van al hun gebreken, met meer venijn gehekeld dan de Nederlanders toentertijd. [28] De harde bestraffing van de opstandelingen en hun passieve en actieve medeplichtigen, de militaire operaties tegen de Nederlandse bevolking, de bestuurlijke en fiscale hervormingen lieten diepe sporen van ongenoegen na waar de propagandisten van Willem van Oranje op inspeelden. Ze ontwikkelden vooral tussen 1567 en 1588 een aantal thema’s in hun zwartmakerij, zoals de troon van Alva, de emblematische tegenstelling tussen Alva en Willem van Oranje en Alva’s hoogmoed naar aanleiding van de oprichting van het standbeeld van de hertog in de citadel van Antwerpen. [29] Alva werd in patriottische retoriek uitgemaakt voor de vijand van het gemene vaderland die in navolging van de conquistadores in Amerika de Nederlanden wilden plunderen en tot slavernij brengen. [30]

In de geschiedschrijving van de Nederlandse beroerten, geschreven door de voorstanders van de Opstand in de zestiende en vroege zeventiende eeuw, is Alva ook veelal het kind van de rekening. [31] De ‘Trias Historica’ van de Nederlandse Opstand, Emanuel van Meteren, Pieter Bor en Everhard van Reyd verdedigen de mening dat het verzet tegen het Spaanse gezag gerechtvaardigd was omdat Alva en zijn handlangers de vrijheden van de Nederlanden met voeten hadden getreden. Van Meteren en Bor waren geen fanatieke calvinisten die de religieuze veranderingen niet als directe oorzaak beschouwden terwijl de overtuigde calvinist Van Reyd de opstand als een zaak van God opvatte. Alva en de Spaanse overheersing waren in zijn ogen ‘Godes straf’ omdat de protestantse Nederlanders zich niet genoeg hadden ingespannen de ware religie te verdedigen. [32]

Maar ook de katholieke regeringsgetrouwen die uiteraard de rebellie en het protestantisme afwezen, uitten zich zeer kritisch over het Spaanse bewind en in het bijzonder over de methodes waarmee de hertog de Nederlanden tot de orde wilde brengen. Zij zien de tirannie van Alva ook als een hemelse straf, als ‘Gods roede’ maar, anders dan Van Reyd, juist omdat de Nederlanders het gevaar van de ketterij niet hadden onderkend en het niet onmiddellijk hadden bestreden. Slechts een enkeling, zoals Franciscus Dusseldorpius, verklaarde zich onvoorwaardelijk vóór het optreden van Alva en betreurde zijn vertrek. Hij is een van de weinige uitzonderingen onder de katholieke zestiende en zeventiende-eeuwse geschied- en kroniekschrijvers die over het algemeen gematigd zijn ten opzichte van de opstandelingen en hoewel koningsgezind, afkerig zijn van de harde Spaanse aanpak met name door Alva. [33]

Ook Italiaanse historici waren geïnteresseerd in de dramatische gebeurtenissen in de Nederlandse oorlog en in de rol van de hoofdrolspelers als Alva. Het aantal historische werken over de Nederlandse Opstand dat Italianen hebben geschreven zou ongeveer gelijk zijn aan de hoeveelheid geschriften die Spanjaarden over het onderwerp produceerden. Maar dat was niet zo verwonderlijk gezien de directe betrokkenheid van Italianen als soldaten, ingenieurs en militair deskundigen in het Spaanse leger in de strijd tegen de Nederlandse opstandelingen. De Italiaanse geschiedschrijvers waren over het algemeen geen verdedigers van de Opstand maar uitten zich zeer kritisch over Alva’s optreden in de Nederlanden. Famiano Strada, die in zijn De bello Belgico duidelijk de kant van Filips II kiest, is sterk geneigd Alva in een kwaad daglicht te stellen niet in de laatste plaats om zijn landgenoot Alexander Farnese, hertog van Parma, de latere gouverneur-generaal van de Nederlanden gunstig uit de verf te laten komen. De Genuees Gerolamo de Franchi Conestaggio, die in Antwerpen en Lissabon gewoond en gewerkt had, schreef bovendien een dusdanig openlijke en kritische geschiedenis over Alva’s verovering van Portugal dat de Spaanse autoriteiten de verspreiding ervan op het Iberisch schiereiland verboden. De Spanjaard Antonio de Herrera y Tordesillas voelde zich bovendien geroepen om een soort verweerschrift ten gunste van Alva te publiceren in de vorm van een historische verhandeling. Het werk van Italiaanse historici, als Cesare Campana, Gerolamo Connestaggio, Guido Bentivoglio en Famiano Strada waarin Alva’s daden tegen het licht worden gehouden, was van grote invloed op de beeldvorming van Spanje en zijn politieke en militaire leiders bij vriend en vijand omdat veel ervan al in de zeventiende eeuw in vele drukken en in vele talen werd uitgegeven en door andere historici dankbaar werd gebruikt als documentatiebron. [34]

Tijdens zijn leven was Alva al een legende bij voor- en tegenstanders. Hij was in staat geweest een hoofdrol op te eisen in het Europese politieke en militaire leven van de zestiende eeuw. Dat had hij voornamelijk te danken aan het feit dat hij zich in de onmiddellijke nabijheid bevond van de twee machtigste vorsten van zijn tijd, Karel V en Filips II, die hem beschouwden als een van hun belangrijkste medewerkers. Weliswaar hadden zij hun reserves ten aanzien van de Spaanse grande , ze hadden tegelijkertijd ook oog voor zijn talenten en ambities. Ze hebben die in het belang van de Spaanse Monarchie ten nutte gemaakt door de hertog in te zetten bij de uitvoering van grote militaire ondernemingen en de oplossing van politieke problemen. Alva was een van de trouwste dienaren van zowel Filips als van diens vader. De keizerlijke ambassadeur aan het hof in Madrid Hans Khevenhüller zei over hem ‘… [Alba] was a prominent and experienced soldier and such a loyal and great servant, as I believe, only few can be found.’ [35] Als hij enig hoger belang had dan de dienstbaarheid aan de vorst dan was dat aan zijn huis. Ook al waren die doorgaans goed met elkaar te verenigen, er waren toch momenten dat Alva het belang van de familie op de tweede plaats liet komen. Zo reisde hij in 1548 toch met Filips II mee naar de Nederlanden terwijl García zijn oudste zoon en erfgenaam was overleden. Hoewel de dood van zijn zoon vereiste dat hij bij zijn familie zou zijn nam hij toch de moeilijke beslissing de vorst plichtsgetrouw te volgen op diens reis naar het buitenland. Een leven lang trouwe dienst aan de kroon was bovendien een aanslag op het vermogen van het huis. Bij zijn dood was de koning hem ongeveer 474.000 dukaten schuldig waardoor de familie jarenlang met betalingsproblemen worstelde. [36] Van de beide vorsten heeft hij voor zijn loyaliteit niet de waardering gekregen die hij in zijn ogen verdiende. Dat leidde ertoe dat hij soms niet alleen dreigde het koninklijk hof te verlaten, maar ook werkelijk uit Madrid vertrok, zoals in 1560, en vrijwillig in ballingschap ging om zich op zijn landgoed te verbijten. Wellicht was dit gevoel van onderwaardering door zijn soevereinen ook wel te begrijpen, want men zou toch meer betrokkenheid hebben mogen verwachten bij zijn dood dan Filips II heeft getoond. In een brief, korte tijd na het overlijden van Alva, schreef de koning: ‘… zeker, [Alva’s dood] is een groot verlies, maar omdat het Gods werk is, valt er niet meer te zeggen dan hem voor alles te danken.’ [37]

De legende leeft voort

Toen in 1621 Antonio Álvarez de Toledo de stoffelijke resten van zijn vermaarde grootvader in de crypte van de San Esteban in Salamanca liet herbegraven, bevond Spanje zich op een cruciaal moment in zijn geschiedenis. In dat jaar zou het vernederende Twaalfjarig Bestand aflopen dat Filips III in 1609 met de Nederlandse opstandelingen had gesloten. Verlenging paste in beginsel niet in de politiek van de nieuwe koning Filips IV en zijn eerste minister Gaspar de Guzmán, Conde-duque de Olivares. De eerste minister meende dat de tijd rijp was voor het herstel van de reputatie van Spanje als grote mogendheid. Het roemrijke en alom gerespecteerde Spanje, zoals dat onder Filips II had bestaan, moest herrijzen. De grote mannen en helden van het rijk van weleer werden in zijn propagandamachine tot voorbeeld gesteld aan de verantwoordelijke, natuurlijke leiders van het land: de hoge en lage adel en de stedelijke elite. Een van de grote leidinggevende personen die in Europese regerings- en legerkringen respect had ingeboezemd was Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva. In de eerste biografie van de Gran Duque, Resultas de la vida de don Fernando Álvarez de Toledo, tercero duque de Alva, wordt zijn heldenrol breed uitgemeten. Juan Antonio de Vera y Zúñiga, graaf van La Roca, een doorgewinterde partijganger van Olivares, liet het boek in 1643 in Milaan verschijnen kort na zijn ontslag als Spaans ambassadeur bij de Serenissima Repubblica. Het boek is een wanhopige poging de Spanjaarden een hart onder de riem te steken door te laten zien dat het vaderland illustere lieden had voortgebracht aan wie ze een voorbeeld moesten nemen om het tij te keren. Het boek waaraan Vera al in 1637 was begonnen kwam echter veel te laat om zijn landgenoten er van te overtuigen dat de ondergang van Spanje als grootste mogendheid van Europa nog af te wenden was. Zijn oproep aan de hoge adel om de koning zo trouw, vastberaden en met het doorzettingsvermogen van de Gran Duque te dienen was grotendeels voor dovemansoren. De hoge edelen hadden inmiddels schoon genoeg van Olivares die hen zo veel mogelijk buiten het bestuur van het rijk had gehouden en de krijgskansen waren inmiddels zo ongunstig voor Spanje dat geen edelman er meer over dacht zijn leven en vermogen in de waagschaal te stellen. Het boek, dat eigenaardig genoeg door vele historici over het hoofd is gezien, is een werk dat aandacht verdient al was het alleen al om de politieke context waarin het is geschreven, maar ook om de belangrijke plaats die de auteur aan Alva in de Spaanse geschiedenis toedicht. [38]

Heeft Vera de intentie Alva een voorbeeldfunctie te geven die paste in Olivares’ politieke kader van een regeneratie van een recent succesvol verleden, de motieven van de pater jezuïet Antonio Ossorio, de schrijver van het boek Ferdinandi Toletani Albae Ducis Vitae, et res gestae (Salamanca 1669) zijn van een andere aard. Ossorio streeft naar een eerherstel van de hertog door diens grootse daden in herinnering te brengen. Een van zijn belangrijkste beweegredenen is de hertog te verdedigen tegen de valse beschuldigingen die zijn vijanden tegen hem geuit hebben. Het boek is, zoals hij zelf zegt, een wraakoefening tegen de aantijgingen van de lasterlijke schrijvers die de naam en eer van Alva en zijn huis hebben willen bezoedelen. Maar hij wil ook eerherstel in binnen- en buitenland voor Spanje en de Spanjaarden bewerkstelligen door aan te tonen dat er ook Spanjaarden zijn die veel gepresteerd hebben en hun bijdrage hebben geleverd aan de menselijke beschaving. [39] Ook Ossorio leed onder het internationale prestigeverlies en de neergang van Spanje waar veel van zijn landgenoten zich terdege van bewust waren. [40] Was bij Vera nog de ijdele hoop aanwezig dat de terugkeer naar de gloriedagen van weleer mogelijk was, Ossorio heeft daar kennelijk al afscheid van genomen en streeft nog enkel naar herstel van zelfrespect en de buitenlandse erkenning van Spanjes bijdragen aan de geschiedenis. In Alva herkende hij het voorbeeld van een Spanjaard wiens prestaties in het buitenland in een kwaad daglicht gesteld waren en die niet de erkenning had gekregen die hij verdiende.

De biografie van Alva door Ossorio bestrijkt het hele leven van de hertog van zijn geboorte tot zijn overlijden en is gebaseerd op primaire bronnen uit het familiearchief en informatie uit mondelinge overlevering. De auteur heeft nauwelijks andersoortig materiaal gebruikt, laat staan bronnen uit het buitenland. In overeenstemming met de uitgangspunten is het boek een sterk hagiografische levensbeschrijving. Ossorio die behoorde tot de Alva-clan schreef waarschijnlijk in opdracht van de zesde hertog van Alva. De behandeling van zijn jaren in de Nederlanden en beschrijving van zijn militaire ondernemingen in Italië en Portugal zijn summier, terwijl die bepalend zijn geweest voor zijn imago in binnen- en buitenland. Ondanks deze bezwaren wordt het boek algemeen gewaardeerd met name omdat het zeer informatief is over Alva’s handelen in Spanje. Het was ook in het buitenland bekend omdat het al vroeg in het Frans, Italiaans en het Nederlands werd vertaald. [41]

Terwijl de hertog sinds 1621 in Spanje kon rekenen op een herwaardering van zijn daden, werd in de jonge Republiek der Verenigde Nederlanden het afschrikwekkende beeld van Alva weer uit de kast gehaald om de vrijgevochten Nederlanders te waarschuwen voor het nieuwe dreigende Spaanse gevaar. Het bestand met de Spanjaarden liep op zijn einde en de kansen op een verlenging of een duurzame vrede waren uiterst gering omdat beide partijen daarin geen voordeel zagen. Binnenkort zou de strijd in alle hevigheid en met hernieuwde krachten weer losbarsten. Om de Nederlanders voor te bereiden op de komende strijd beeldden diverse kunstenaars in propagandistische werken het Spaanse gevaar uit. De propaganda moest ook de Nederlanders ervan overtuigen dat ze hun onderlinge twisten moesten bijleggen en de gezamenlijke vijand moesten bestrijden. Schilders, tekenaars en graveurs maakten daarom vooral gebruik van beelden die voor veel Nederlanders herkenbaar waren, zoals de Tirannie van Alva. De hertog wordt daarin voorgesteld in vertrouwde composities als de belichaming van de wrede Spaanse onderdrukking en terreur in de Nederlanden. [42] Alva was niet meer de werkelijke vijand maar de voorstelling van zijn bewind appelleerde aan de gevoelige herinnering aan de oorlog van een heel recent verleden die op het punt stond weer in alle hevigheid los te barsten.

Hoewel na de Vrede van Munster in 1648 niet de Spaanse koning, maar de Engelsen en de Fransen de vijand van de Republiek werden, bleef het emblematische beeld van Alva als de verpersoonlijking van het Spaanse vijandelijke kwaad bestaan in het collectieve geheugen van de Nederlanders. Het ging sindsdien niet meer om een concrete vijand maar om de collectieve herinnering aan de patriottische en heldhaftige strijd om de vrijheid en de calvinistische religie. Het negatieve beeld van Alva was een vast bestanddeel in het patriottische programma van beelden en ideeën waarmee het jonge land eeuwenlang zijn bestaansrecht en identiteit bevestigde. [43]

In de achttiende eeuw was Alva in Spanje zelden een onderwerp van serieuze historische studie. Het belangrijkste werk dat in het Spaans over hem verscheen was het boek van de Fransman Joseph Vicente de Rustant uit 1751. De biografie die oorspronkelijk in het Latijn verscheen en later in het Frans en Spaans werd uitgegeven is hoofdzakelijk gebaseerd op het werk van Ossorio en heeft weinig indruk achtergelaten. [44] Twee publicaties van Friedrich Schiller zijn echter van veel meer invloed geweest op de beeldvorming van Alva zowel buiten als binnen Spanje. In 1788 verscheen Abfall der Niederlande waarin de Nederlanders in overeenstemming met Schillers tijdgeest worden voorgesteld als strijders die met hartstochtelijke romantiek vechten voor de politieke en religieuze vrijheid van hun vaderland. Filips II en zijn handlangers onder wie de hertog van Alva zijn de reactionaire, meedogenloze verdedigers van de katholieke kerk en de absolute monarchie die er niet voor terugdeinzen om naar de meest hardvochtige methodes te grijpen van de inquisitie en het leger. [45] Toch is Schillers geschiedschrijving veel genuanceerder dan dikwijls wordt voorgesteld. Alva is niet de demonische buitenlandse bezetter van de Nederlanden, maar de exponent van de harde aanpak onder de raadsheren van Filips II die niet alleen de direct betrokkenen bij de opstand wil straffen, maar ook de medeplichtigen en degenen die hen hun gang hebben laten gaan. Schiller behoudt ondanks de romantische dramatisering de nodige distantie om geloofwaardig te kunnen zijn als academisch historicus. De Abfall der Niederlande die hij baseerde op een grondige literatuur- en bronnenstudie zou hem in 1789 de aanstelling van hoogleraar in de geschiedenis aan de Universiteit van Jena opleveren. [46]

Het is daarom ook dat in het toneelstuk Dom Karlos dat al een jaar eerder geschreven was op basis van een anekdotische roman en een recent Frans toneelstuk over Filips II, het scenario rondom de vorst veel duisterder is dan in de Abfall . [47] Schiller oppert in het stuk het idee dat Filips zijn zoon om het leven zou hebben laten brengen vanwege diens liefdesrelatie met zijn stiefmoeder, Isabella van Valois. Alva speelt weliswaar een bijrol maar past volledig in het macabere complot dat Schiller als toneelschrijver schiep. [48]

Ook Johann Wolfgang von Goethe, Ludwig van Beethoven, Guiseppe Verdi en Gaetano Donizetti putten inspiratie uit de dramatische historische gebeurtenissen uit de tijd van Filips II. De Duitse schrijver voltooide in 1788 een treurspel in de stijl van Shakespear waaraan hij tussen 1773 en 1775 al begonnen was. Het centrale thema van het dramatische werk, dat paste bij de Sturm und Drang -periode van zijn tijd, is de drang naar politieke vrijheid van de hoofdpersoon die bereid is ervoor te sterven. De graaf van Egmond, voorgesteld als een onbezonnen jonge vrijheidsheld, wordt in het toneelstuk op bevel van een despotische Alva ter dood gebracht op het schavot, maar zijn martelaarschap is een overwinning op de onderdrukking van de Spaanse indringers. Zijn dood zal de Nederlanden de vrijheid schenken. [49]

Ludwig van Beethoven, die republikeinse en democratische gevoelens koesterde en zich regelmatig afzette tegen de politieke macht van koningen en adel, was gefascineerd door het werk. Toen hij in 1809 het verzoek van het Weense Burgtheater kreeg om muziek bij het stuk te schrijven, aarzelde hij geen moment en componeerde hij in korte tijd een ouverture voor het toneelstuk met daarbij een aantal stukken voor zang en een volledig orkest. De ouverture, die tot de beste composities van de beroemde musicus behoort, is een symfonisch gedicht, waarin hij ter verhoging van het melodramatische effect de muziek combineerde met de declamatie van de toneelteksten van Goethe over Egmond. [50] Donizetti componeerde in 1839 een opera gewijd aan Alva en zijn verblijf in de Nederlanden op basis van een Frans libretto. Het onvoltooide stuk werd door zijn leerling Matteo Salvi afgemaakt en pas voor het eerst in 1882 in Rome opgevoerd. Hoewel de opera Il duca d’Alba dikwijls naast het Duitse artistieke werk genoemd wordt als mede bepalend voor het imago van Alva, kan het muziekstuk toch weinig indruk hebben achtergelaten omdat het een vrij onnozel drama vertolkt dat bovendien zelden is opgevoerd. [51]

Onder invloed van de revolutionaire gebeurtenissen in Italië van zijn tijd plaatste Verdi zijn meest geslaagde en voldragen Schiller-opera in de woelige zestiende-eeuwse Nederlanden. Don Carlo (1866) en Il Duca d’Alba zijn voorbeelden van meer opera’s die hun inspiratie vonden in de Nederlandse Opstand. Opera was in de burgerlijke kringen van de negentiende eeuw een zeer gewaardeerde en druk bezochte vorm van vermaak en deze kunstvorm heeft bijgedragen tot een breed gedragen romantisch, anachronistisch beeld van de Nederlandse opstand en zijn hoofdrolspelers, onder wie Alva. [52]

De Noord-Amerikaanse historicus John Lothrop Motley en de minder bekende geboren Luxemburger Jean Jacques Altmeyer hebben een veel meer uitgesproken mening over Alva dan Schiller. Ook zij hebben geen biografie op hun naam staan van de Spaanse hertog, maar hebben eveneens bijgedragen aan zijn kwaadaardige reputatie. Altmeyer, die woonde en werkte in Brussel, heeft een overtrokken eenzijdig beeld van Alva geschapen. In een aantal publicaties in de jaren 1850 en 1860 die handelen over belangrijke momenten in de Nederlandse Opstand, heeft hij van de Spaanse landvoogd van de Nederlanden een hardvochtige despotische onderdrukker gemaakt die zich onder het mom van de bestrijding van ketterij en opstandigheid alles meende te kunnen permitteren. De wreedheid van Alva wordt breed uitgemeten en Altmeyer betoogt dat de landvoogd een kortzichtig beleid voerde waarmee hij zelfs de trouwste katholieken van zich wist te vervreemden. Overigens betekende Altmeyers hartgrondige afkeer van Alva niet dat hij sympathieën voor de prins van Oranje koesterde in wie hij een onruststoker zag die verdeeldheid onder de bevolking zaaide. [53]

Motley’s studies over de Nederlandse Opstand waren veel omvangrijker en vooral veel bekender dan die van de geboren Luxemburger en hebben daardoor ook meer bijgedragen aan de kwaadaardige reputatie van Alva. Zijn werk werd in vele talen vertaald en was populair leesvoer in veel landen met name in de Verenigde Staten omdat hij de Nederlandse Opstand als een dramatisch historisch precedent voor de Amerikaanse vrijheidsstrijd voorstelde. In zijn Rise of the Dutch Republic (1856) behandelt hij uitgebreid de jaren van het gouverneurschap van de hertog en komt hij tot een vernietigend eindoordeel: ‘On the whole, so finished a picture of a perfect and absolute tyranny has rarely been presented to mankind by History, as in Alva’s administration of the Netherlands’. [54] Hij stapelt de ene beschuldiging op de andere waardoor er een karikatuur ontstaat van een demonische, redeloze wreedaard. Motley is zich daarvan bewust, maar gaat nog een stap verder door te zeggen dat als zijn schepping fictie was, die grotesk zou zijn geweest. Maar zijn oordeel is naar hij zegt gebaseerd op feiten en uitspraken van de misdadiger zelf en is daardoor onomkeerbaar. [55] Motley beweert dat zijn werk het resultaat is van zorgvuldig onderzoek dat gedaan is met de eerlijke intentie de waarheid te vinden door bronnen en latere historische werken in alle talen en van alle religieuze en politieke gezindten te besturen. [56] Desalniettemin steunt hij veel op Nederlandse bronnen die hij weinig kritisch beoordeelt en heeft hij zijn protestantse, burgerlijke, liberale vooringenomenheid niet van zich weten af te schudden. Niet zonder recht wordt bovendien gezegd dat hij zich door zijn enthousiasme over zijn verhaal liet meeslepen, de nuchterheid verloor en delen van de kenbare werkelijkheid verdraaide of wegliet. De Nederlandse historicus Robert Fruin nam hem vooral kwalijk dat hij verzonnen feiten toevoegde ten behoeve van het goede verhaal. [57]

Nieuwe inzichten

Zoals in veel andere West-Europese landen is er in de negentiende eeuw ook in Spanje enorm veel werk verzet door de publicatie van historische studies en bronnen. Het verhitte historische debat in Spanje over de Habsburgse periode en in het bijzonder over de regering van Filips II, dat beheerst werd door de politieke tegenstellingen tussen de liberale en conservatieve partijgangers, had onder meer tot gevolg dat er vele biografieën werden geschreven gewijd aan historische persoonlijkheden. Ook over Alva verschenen werken waarvan het boek door Martín Arrúe uit 1879 over de militaire campagnes van de hertog de meest oorspronkelijke studie was sinds La vida y hazañas. [58] Maar van onschatbare waarde op de langere termijn zijn de vele bronnenpublicaties geweest waarvan de 113 delen tellende serie Colección de documentos inéditos para la historia de España die in de jaren 1842-1895 is uitgegeven, indrukwekkend is. In een aantal van deze delen bevinden zich belangrijke documenten met betrekking tot Alva. Vooral in de delen IV, XXXVII, XXXVIII en LXXV is veel informatie over zijn bewind in de Nederlanden te vinden.

Tijdens de dictatuur van Franco werden enkele korte, moderne biografieën van Alva geschreven die paste in het beleid van het regime om de waardering voor de Spaanse politieke en militaire prestaties van de Gouden Eeuw onder de Spanjaarden te doen herleven. Het beknopte boek van de historicus Mariano Domínguez Berrueta is ondanks de conservatieve toon en het vindicerende karakter, een goed werk dat goed gedocumenteerd is en ook nieuw historisch materiaal bevat. [59]

Een werkelijk krachtige, vernieuwende impuls aan het historisch onderzoek naar de Gran Duque gaf diens verre, twintigste-eeuwse nazaat: Jacobo Fitz-James Stuart y Falcó hertog van Berwick en Alba. In zijn inaugurele rede in de Real Academia de Historia in 1919 pleitte Stuart y Falcó, gedreven door eerherstel van zijn voorouder, voor de nuchtere bestudering, zonder ideologische vooroordelen, van de Gran Duque op basis van historische documenten. [60] Op zijn initiatief en kosten, en onder zijn hoede werd in 1952 het Epistolario del III Duque de Alba samengesteld en uitgegeven. [61] Het driedelige werk bevat alle correspondentie van de hertog die door de familie wordt bewaard. Stuart y Falcó voegde aan deze verzameling een groot aantal ongepubliceerde brieven toe uit het Archief van Simancas, de British Library te Londen, de Bibliothèque National te Parijs en het Vaticaans Archief te Rome. De bronnenpublicatie die politieke en militaire brieven bevat uit de jaren 1536-1581, is geenszins compleet, maar is van het grootste belang voor de onderzoeker die de hertog wil bestuderen op basis van documentatie uit de eerste hand. Men leert in de brieven op een aangrijpende directe manier de gedachten, opvattingen, inschattingen, inzichten en de klaagzangen van de man kennen. Toch is het moeilijk hem persoonlijk te doorgronden op basis van deze gepubliceerde bronnen omdat ze geen intieme correspondentie bevatten. Desalniettemin zijn ze van onschatbare waarde omdat ze een opening bieden tot nieuwe inzichten.

Niemand kan om het Epistulario heen en sinds de publicatie ervan maken dan ook alle biografen er gebruik van. In 1963 publiceerde Walther Kirchner een biografie over Alva dat als een deel in een populaire historische reeks verscheen. In een beperkt aantal pagina’s informeert hij een groot publiek over het leven van de Spaanse staatsman. Kirchner moest enigszins tot zijn eigen verbazing constateren dat er van de man geen levensbeschrijvingen bestonden die in overeenstemming waren met de toenmalige stand van de historische kennis en de eisen van de geschiedwetenschap. Ondanks het beperkte aantal pagina’s dat de redactie van de reeks Persönlichkeit und Geschichte hem gunde, schreef hij een toegankelijke synthese van de toen bestaande en voor hem toegankelijke kennis voornamelijk opgedaan in gepubliceerde bronnen, waaronder het Epistolario en secundaire literatuur. [62] Kirchner heeft echter het werk van drie Belgische revisionistische historici, Jan Craeybeckx, Michel Dierickx en Léon van der Essen die Alva’s handelen in de Nederlanden met een genuanceerdere blik benaderen, niet in zijn boek verwerkt. Het boek van Leon van der Essen waarschijnlijk niet omdat het in het Nederlands is geschreven en het artikel van Michiel Dierickx niet omdat het nog niet beschikbaar was. Het deeltje kon de lacune waarvan hij gewag had gemaakt alleen al door het korte bestek niet ondervangen.

E erst twintig jaar later verscheen een moderne, wetenschappelijk verantwoorde, uitgebreide biografie van Alva, de staatsman en militair die zonder twijfel een van de sleutelfiguren van de zestiende eeuw is geweest. William S. Maltby schreef een excellente politieke biografie gebaseerd op veelzijdig bronnenonderzoek in alle Europese landen waar Alva zijn sporen heeft achtergelaten. De internationale benadering van de Noord-Amerikaanse historicus sloot naadloos aan bij de nieuwe kaders van het historisch onderzoek dat sinds de Tweede Wereldoorlog drastisch is veranderd. Niet alleen zijn historici over de nationale grenzen gaan kijken naar historische bronnen, maar door de internationale uitwisseling is in een groot aantal westerse landen de traditionele nationale geschiedschrijving onder druk komen te staan. Duiding van de nationale geschiedenis in de internationale context en vergelijkingen met andere landen blijken dikwijls veel vruchtbaarder dan nationale verklaringen en, sterker nog: veel nationale geschiedenis blijkt niet zo nationaal te zijn als vaak wordt gedacht maar een Europees of interregionaal verschijnsel. Daarnaast is de geschiedschrijving na 1945 in de Westerse wereld verder in een proces van professionalisering en verwetenschappelijking geraakt, dat zich in West-Europa na de groei van universitaire instellingen in de jaren 1960 heeft doorgezet.

Het is onmiskenbaar dat buitenlandse historici een enorme bijdrage hebben geleverd aan de kennis van de geschiedenis van Spanje door haar in een Europese context te bestuderen. Waren het eerst Fernand Braudel en andere Franse onderzoekers van de Annales-school die het rijk van Filips II in een geopolitieke context bestudeerden, later waren het de Britse historici die de Spaanse geschiedenis binnen bredere kaders dan het nationale perspectief pasten. John Elliotts concept van Imperial Spain en Geoffrey Parkers idee van een Grand Strategy maken het mogelijk het handelen van Filips II en de latere Spaanse Habsburgers veel beter te begrijpen dan binnen traditionele nationale opvattingen. In zijn werk heeft Maltby, die zich al eerder onderscheidde als hispanist met een studie over de Zwarte Legende in Engeland, dankbaar gebruik gemaakt van de nieuwe wetenschappelijke inzichten met het gevolg dat hij een opzienbarend nieuw beeld van de IJzeren Hertog heeft weten te scheppen. [63]

Hadden de voorgaande nationaal georiënteerde biografieën een nogal eenzijdige visie opgeleverd waarvan het veelal hagiografische Spaanse beeld en het karikaturale demonische, anti-Spaanse archetype twee uitersten zijn, in Maltby’s studie komt een veel geloofwaardigere, veelzijdigere persoon naar voren. Alva is een schrandere, en behendige politicus, een doelmatige bestuurder, een man met een zekere beschaving en culturele verfijning alsook een kundig legerleider, zo niet de bekwaamste van zijn tijd. Naast keizer Karel V manifesteert hij zich als een politieke en militaire leider, naast Filips II als een hoveling bij diens reis naar Engeland, in Italië waar hij een uitgebreid netwerk van politieke vrienden en verwanten heeft, vervult hij belangrijke taken in de jaren 1555-1557 en bestuurt hij in 1567-1573 de Nederlanden als landvoogd. Maar Maltby toont ook zijn keerzijde; zijn onaangename karaktereigenschappen als hoogmoed, ongeremde persoonlijke ambitie, somber fanatisme en de neiging tot genadeloze wreedheid. De slachtingen die hij bijvoorbeeld aanrichtte in 1555 in Piemonte onder de Franse soldaten en in de Nederlanden in de jaren 1572-1573 waren ook toen uitzonderlijk en kunnen niet afgedaan worden als strategische intimidatie en hadden weinig of niets te maken met anti-protestants maatregelen. De wrede terreur van Alva was volgens de Noord-Amerikaan geen gefingeerd overtrokken element van de Zwarte Legende maar was werkelijk barbaars geweld, gepleegd door een hardvochtige geest die kennelijk niet besefte dat het gebruik van geweld alleen zin heeft als er ook genade bestaat. [64]

Maltby met zijn brede kennis van de Europese vroegmoderne geschiedenis is er in geslaagd Alva te plaatsen in zijn omgeving en zijn tijd waardoor zijn handelen begrijpelijker wordt. Het baanbrekende en tot nu onovertroffen werk kent echter ook zijn tekorten, maar die zijn pas aan het daglicht gekomen door nieuw onderzoek dat Maltby niet kende doordat het pas later is gepubliceerd. Inmiddels is bijvoorbeeld de kennis over de fiscale politiek van Alva in de Nederlanden vergroot door het onderzoek van de recent overleden Ferdinand Grapperhaus. [65] Maltby is bijvoorbeeld ook uitvoerig over Alva’s opvattingen over het beleid dat de koning moest voeren ten aanzien van Engeland, maar is zeer spaarzaam over zijn diplomatie ten aanzien van het Duitse Rijk. Recente studies hebben echter aangetoond dat ook die van groot belang waren voor Alva’s handelen in de Nederlanden. [66] Ook leren we de persoonlijke overwegingen en psyche van Alva niet kennen. Dat is een manco dat Maltby zelf onderkent, maar terecht merkt hij op dat de beschikbare bronnen zich daartoe niet lenen.

In 2004, eenentwintig jaar na het verschijnen van Maltby’s boek liet de Britse hispanist en historicus Henry Kamen een nieuwe biografie van Alva het licht zien. Kamen volgt, naar eigen zeggen, de studie van Maltby in hoofdlijnen, maar beoogt het leven en de loopbaan van de hertog te herevalueren door diens handelen en motieven te verklaren zonder te veroordelen. Kamen richt zich op de geïnteresseerde lezer en gaat daarom de academische discussie uit de weg over de vele zaken waarin de hertog verwikkeld was en over de verstandhouding met de vele personen die zijn leven hebben beïnvloed. De grote verdienste van Kamen is dat hij nog beter dan Maltby de hertog weet te plaatsen in zijn tijd en in de wereld die hem omringde. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van de inmiddels uitgebreide historische kennis over de Spaanse heerschappij in Europa en de Nieuwe Wereld als gevolg van de sterk toegenomen academische belangstelling voor de Spaanse wereld. Ondanks alle kritiek onder meer op het gebruik van literatuur en bronnen, heeft Kamen een veelzijdige herbeoordeling geschreven over een aantal karaktereigenschappen, opvattingen en de prestaties van de man. Hij durft het aan een aantal heikele kwesties aan de orde te stellen zoals de wreedheid van Alva. Kamen oordeelt daar niet over en zegt dat het wellicht niet zo belangrijk is wat Alva daarover dacht, maar meer wat hij er door geworden is: ‘the unacceptable face of Spanish imperialism for contemporaries as well as for future generations.’ [67]

Naar aanleiding van de vijfhonderdste geboortedag van de Gran Duque verscheen een aantal publicaties over de hertog waarvan die van de recent overleden Manuel Fernández Álvarez een volwaardige biografie is, geschreven op basis van bronnenmateriaal. [68] Fernández Álvarez maakt zijn faam van levendig verteller in dit boek weer waar door een enorme reeks brieven en andere bronnen aaneen te rijgen tot een lopend verhaal. De bronnen en literatuur waaruit hij put zijn vooral Spaanstalige, zonder dat dit al te veel bezwaren oplevert omdat de belangrijkste Frans- en Engelstalige nieuwe studies in het Spaans vertaald zijn. Hoewel de Spaanse historicus vindt dat er ook in het herdenkingsjaar geen aanleiding is om de loftrompet te steken over de daden van de man, meent hij dat er vijfhonderd jaar na zijn geboorte over zijn bijzondere kwaliteiten geschreven moet worden. Dat geldt voor zijn prestaties als militair maar zeker ook voor Alva als diplomaat. Dat laatste is een gewaagde onderneming omdat auteurs die eerder hierover schreven doorgaans concludeerden dat op het terrein van de diplomatie de man juist niet bijzonder getalenteerd was. Daarvoor was hij veel te ongeduldig, te licht ontvlambaar, weinig tactvol en bovendien was diplomatie in zijn opvattingen niet anders dan een verlengstuk van oorlogvoering. [69] Fernández Álvarez zet Alva desondanks neer als een soort alleskunner waardoor het boek al gauw een plaats verovert in de Spaanse reeks van hagiografische werken over de Gran Duque.

Sinds 1983, het jaar waarin het boek verscheen, heeft de biografie van Maltby het beeld van Alva bepaald. Maar de huidige dynamische en productieve wereld van het wetenschappelijk onderzoek heeft sindsdien niet stilgestaan. Studies over de zestiende eeuw in het algemeen en deelstudies over specifieke onderwerpen in die tijd hebben nieuwe inzichten opgeleverd die ook een nieuw licht werpen op Alva en zijn daden.

In 2013 verscheen een bundel met biografische artikelen, getiteld: Alba, General and Servant to the Crown . [70] Daarin geven auteurs van diverse nationaliteiten, maar geschoold en werkend in een internationaal wetenschappelijk circuit, hun visies op een breed scala aspecten van het leven van Fernando Álvarez de Toledo, derde hertog van Alba. De bedoeling van deze publicatie is een nieuw, afgewogen beeld van de persoon Alva en zijn handelingen te bieden door hem vanuit diverse perspectieven grondig te bestuderen. Daartoe zijn diverse auteurs uitgenodigd om een aantal aspecten van het leven van Alva te bestuderen die nauw aansluiten bij hun specifieke deskundigheid. Daarbij maken zij niet noodzakelijkerwijs gebruik van nieuwe bronnen maar stellen zij zich nieuwe vragen. Het innovatieve van deze bundel is het internationale perspectief dat aansluit bij de biografieën van de hand van Maltby en Kamen. Dit boek geeft echter door zijn collectieve karakter een gedifferentieerder beeld dan beide studies. De internationaal georiënteerde auteurs dragen geen communis opinio uit over Alva waardoor de lezer zich een uitgebalanceerd beeld kan vormen over de man. Het is ook een bron van inspiratie voor nieuw onderzoek naar de boeiende persoon die Fernando Álvarez de Toledo is geweest.


[1] De rustplaats bleek in de jaren 1960-1970 voorlopig te zijn geweest. Vanwege de centrale plaatsing van het altaar volgens de liturgische vernieuwingen van het Tweede Vaticaans Concilie moest het graf overgebracht worden naar een zijkapel. Sinds 1983 liggen daar de laatste resten van Alba begraven in een nieuw mausoleum naar het ontwerp van Fernando Chueca Goitia. ‘Noticia de la translación del cuerpo del duque de Alba desde el convento de San Leonardo de Alba de Tormes al de San Esteban de Salamanca’ in Colección de Documentos Inéditos para la Historia de España [in het vervolg CODOIN ] vol. 35, Madrid 1859, 361-378; A. Osuna Fernández-Largo, ‘Viaje del Gran Duque hacia su reposo final en la ciudad de Salamanca y sepultura’ in G. del Ser Quijano, Actas del Congreso V Centenario del Nacimiento del III Duque de Alba, Fernando Álvarez de Toledo , Salamanca 2008, 229-235.

[2] P. Bourdeille, Seigneur de Brantôme, Les vies des hommes illustres et grandes capitaines étrangers de son temps , I, Leiden 1699, 78; F. Strada, De thien eerste boecken der Nederlantsche oorlogen , Antwerpen 1645, 283; G. Parker, The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659 , Cambridge, 1972, 281.

[3] W.S. Maltby, Alba: A Biography of Fernando Álvarez de Toledo, Third Duke of Alba 1507-1582 , Berkeley 1983.

[4] De Spaanse historiografie waarin Alva’s militaire prestaties en daden worden besproken en veelal opgehemeld is uitgebreid. Het werk van Alonso de Ulloa (1569), Pedro Cornejo (1577), Bernardino de Mendoza (1590), Antonio Carnero (1625), Juan Pablo Mártir Rizo (1627) en vele anderen. Ook Luis Cabrera de Córdoba besteedt in zijn omvangrijke biografie Felipe segundo, rey de Espana veel pagina’s aan Alva.

[5] Brantôme, Hommes illustres et grandes capitaines étrangers, 77-78; F. González de León, The Road to Rocroi. Class, Culture and Command in the Spanish Army of Flanders, 1567-1659 , Leiden en Boston 2009, 6-8.

[6] Juan Cristóbal Calvete de Estrella, Encomio de Don Fernando Álvarez de Toledo Duque de Alba , Madrid 1945. Eerste uitgave Antwerpen, 1573.

[7] Garcilaso de la Vega, Obras completas , Madrid 1981, 367-368, 1.041-1058. Over de Nederlandse tijd stelde de Italiaanse dichter Giovanni Carga een bloemlezing samen van gedichten van verschillende landgenoten die onder Alva in de Nederlanden hadden gediend. Carga, Giovanni, De victoria ducis Albae apud Belgas. Carmina illustrum poetarum italorum , Paris 1576. W.C. Mees, Alva , Assen 1957, 127 n 54.

[8] H. Kamen, The Duke of Alba , New Haven en Londen, 160-163; Maltby, Alba, 61.

[9] E. Martínez Ruiz, Los soldados del rey. Los ejércitos de la Monarquía Hispánica, 1480-1700 , Madrid 2008, 138-140; R. Quatrefages, Los tercios españoles, 1567-1577 , Madrid 1979, 92; Enciso Recio, 44

[10] González de León, The Road to Rocroi , 51,51-62, 107-115; Martínez Ruiz, Los soldados del rey , 138-140; Parker, Spanish Road , 13, 106-109; Quatrefages, Los tercios españoles , 92.

[11] Fernándo Álvarez de Toledo, ‘Discurso sobre la reforma de la milicia’, Biblioteca Nacional Madrid Ms. 12179, no. 11; S. de Londoño, Discurso sobre la forma de reducir la disciplina militar a mejor y antiguo estado , Madrid 1943. Eerste editie Brussel 1589.

[12] M. Fernandez Álvarez, El Duque de Hierro. Fernando Álvarez de Toledo, III Duque de Alba , Madrid 2007, 62; Martínez Ruiz, Los soldados del rey , 837-838; Quatrefages, Los tercios españoles , 113-114.

[13] Engelse vertaling in H. Kamen, Duke of Alba , 27 van de versie uitgegeven in Corpus documental de Carlos V , Salamanca 1975, II (1939-48), p. 109.

[14] J. Fitz-James Stewart y Falcó ed., Epistolario del III duque de Alba, Don Fernando Álvarez de Toledo , 3 dln., Madrid1952 [in het vervolg EA ], I, 318-319; M.J. Rodríguez Salgado, The Changing Face of Empire. Charles V, Philip II and Habsburg Authority, 1551-1559 , Cambridge 1988, 13-15.

[15] EA , I, 318-319; Rodríguez Salgado, The Changing Face of Empire, 139, 145; idem, ‘ Il Capo dei Capi : The Duke of Alba in Italy ‘ in M. Ebben, M. Lacy-Bruijn and R. van Hövell tot Westerflier ed., Alba. General and Servant to the Crown (Rotterdam 2013) 234, 236, 239.

[16] Maltby, Alba , 68-69.

[17] L. Firpo, Relazioni di ambasciatori veneti al senato , Turin 1981, viii Spagna, 192-193.

[18] Zie noot 13 en Firpo, Relazioni , 192; G. Marañón, Antonio Pérez. El hombre, el drama, la época , Madrid 1969, I, 155; L. Paris, Négociations, lettres et pièces diverses relatives au règne de François II tirés du portefeuilles de Sébastien de l’Aubespine, évêque de Limoges , Paris 1841, 710.

[19] J.M., Boyden, The Courtier and the King. Ruy Gómez de Silva, Philip II, and the Court of Spain , Berkeley 1995, 93-97; P.D., Lagomarsino, Court Factions and Formulation of Spanish Policy towards the Netherlands, 1559-1567 [ongepubliceerde dissertatie], Cambridge 1974, 11-14, 192-206; Maltby, Alba , 67-77; G. Parker, Felipe II. La biografía definitiv a , Madrid 2010, 182-186.

[20] J.H. Elliott, Imperial Spain, 1469-1716 , London 1990, 262-263; Lagomarsino, Court Factions , 289-319; Maltby, Alba , 72-73; Marañón, Antonio Pérez , I, 127.

[21] ‘… que son cinco o seis, que son en cabo de todo esto, los tomasen a su mano y les cortasen las cabezas, o los pusiesen en parte donde no pudiesen hacer lo que hasta aquí han hecho …’ EA , I, 591 en 592.

[22] M.F. Combes, L’Entrevue de Bayonne de 1565 et la question de la Saint-Barthélemy d’après les archives de Simancas , Parijs 1882, 8, 11-12.

[23] Combes, L’Entrevue de Bayonne , 8, 10-13, 18-19.

[24] E. Cabié, Ambassade en Espagne de Jean Ébrard seigneur de Saint-Sulpice de 1562 à 1565. Documents classés, annotés et publiés , Parijs 1903, 397-398; Ribera, Diplomatie et espionnage , 441.

[25] P. Arnade, Beggars, iconoclasts and civic patriots. The political culture of the Dutch Revolt , Ithaca en Londen, 2008, 52-53; Kamen, Alba , 165-167; H. van Nierop, ‘Alva’s Throne- Making Sense of the Revolt of the Netherlands’ in: G. Darby, ed., The Origins and Development of the Dutch Revol t, Londen en New York, 2001, 29-47.

[26] ‘Ils sont délibérez de mettre en exécution leur vieille alliance de Bajonne et autres semblables, c’est à dire extirper tous ceux qui ne sont subjects à la domination Romaine, …’ in: G. Groen van Prinsterer, ed., Archives ou correspondance inédite de la Maison d’Orange-Nassau , eerste serie III, Brieven van Willem van Oranje aan Jan van Nassau, sept. 1572, 507-508; K.W. Swart, Willem van Oranje en de Nederlandse Opstand, 1572-1584 , Den Haag, 75 n. 143.

[27] Volgens Alva gingen de gesprekken niet over de situatie in Frankrijk en de Nederlanden maar over de protestanten in Genève en Schotland. Epistolario I, 502-504. M.J. Rodríguez-Salgado is daarom van mening dat Willem van Oranjes verhaal een verdraaiing van de werkelijkheid is: ‘decades later, the prince of Orange deliberately and maliciously distorted this.’; M.J. Rodríguez-Salgado, Changing Face of Empire , 329-330. Of Willem van Oranje de feiten heft verdraaid of niet, er bestonden al sinds 1559 over wat Alva werkelijk van plan was.Zie: A. Duke, ‘William of Orange’s Apology. A new annotated English translation’ Dutch Crossing 22 (1998), 37 en vooral noot 48.

[28] G. J. Geers, De Zwarte Legende van Spanje , Groningen en Batavia 1947; H. Henrichs, ‘Johan Brouwer en de Zwarte Legende. Spanje en de Nederlanden in het licht van de historiografie der twee Spanjes’, Theoretische Geschiedenis , 11 (1984), 359-380; J. Pollmann,’Eine natürliche Feindschaft: Ursprung und Funktion der schwarzen Legende über Spanien in den Niederlanden, 1560-1581′ in: F. Bosbach, ed., Feindbilder. Darstellung des Gegners in der politischen Publizistik des Mittelaters und der Neuzeit , Cologne, Weimar and Vienna 1992, 73-93; H. de Schepper, ‘La ‘Guerra de Flandes’. Una sinopsis de su Leyenda Negra, 1550-1650′, Foro Hispánico , 3 (1992), 67-86; K. Swart, ‘The Black Legend during the Eighty Years War’, in: J.S. Bromley en E.H. Kossmann, eds., Britain and the Netherlands. Some political mythologies , The Hague 1975, 36-57; G. Versteegen, ‘Bewondering, verwondering en verachting. De beeldvorming omtrent Spanje en de Zwarte Legende’, Theoretische Geschiedenis , 24 (1997), 260-278.

[29] Arnade, Beggars, iconoclasts and civic patriots. The political culture of the Dutch Revolt , Ithaca en Londen, 2008, 166-211; D. Horst, De Opstand in zwart-wit. Propagandaprenten uit de Nederlandse Opstand, 1566-1584 , Zutphen 2003; P.A.M., Geurts, De Nederlandse Opstand in pamfletten, 1566-1584 , Nijmegen 1956; C.R. Harline, Pamphlets, printing and Political Culture in the Early Dutch Republic , Dordrecht 1987; J. Tannis, en D. Horst, D ., Images of Discord. A Graphic Interpretation of the Opening Decades of the Eighty Years’ War , Bryn Mawr 1993.

[30] A. Duke, ‘In Defence of the Common Fatherland: Patriotism and Liberty in the Low Countries, 1555-1576’, in: A. Duke, Dissident Identities in the Early Modern Low Countries , Farnham 2009, 71-73; idem, ‘Dissident Propaganda and Political Organisation at the Outbreak of the Dutch Revolt of the Netherlands’ in ibidem, 154-155; B. Schmidt, ‘Tyranny abroad: The Dutch Revolt and the invention of America’, De Zeventiende Eeuw , 11 (1995) 161-174.

[31] A.E.M., Janssen, ‘A Trias Historica on the Revolt of the Netherlands. Emmanuel van Meteren, Pieter Bor and Everhard van Reyd as exponents of contemporary historiography’ in: A.C. Duke en C.A. Tamse, eds., Clio’s Mirror. Historiography in Britain and the Netherlands , Zutphen 1985, 9-30; J. Romein, ‘De geschiedschrijving over de Tachtigjarige Oorlog, een historiografische studie’, Tijdschrift voor Geschiedenis [ TvG ] 56 (1941): 225-257; F.G. Scheelings, ‘De geschiedschrijving en de beeldvorming over de opstand in de zuidelijke Nederlanden (16 e – 18 e eeuw) in: J. Craeybeckx e.a., 1585: op gescheiden wegen , Leuven 1988, 151-179.

[32] L. Brummel, ‘Emanuel van Meteren als historicus’ in: P.A.M. Geurts, A.E.M. en Janssen, Geschiedschrijving in Nederland I Geschiedschrijvers (The Hague 1981) 1-18; A.E.M., Janssen, Pieter Bor Chrisitiaenszoon, 1559-1635. Geschiedschrijver van “waerheyt ende onpartijschap”, ibidem,  22-38; E.H., Waterbolk, ‘Everard van Reyd, 1550-1602, geschiedschrijver en militair adviseur’ ibidem, 41-62.

[33] Franciscus Dusseldorpius prijst Alva bij diens vertrek uit de Nederlanden in 1573: ‘Vir omni laude dignissimus, summus imperator et catholicae religionis propugnator indefessus, quod toto regiminis sui tempore satis superque ostendit […]’. ‘Een man die alle lof zeer waard is, een buitengewoon voortreffelijk veldheer en een onvermoeibaar voorvechter van de katholieke religie, wat hij de gehele periode van zijn bestuur meer dan voldoende heeft laten zien […]’. (Met dank aan Carolina Lenarduzzi voor de vertaling) R. Fruin, ed., Uittreksel uit Francisci Dusseldorpii Annales, 1566-1616 , The Hague 1893, 127; B.A. Vermaseren, De katholieke Nederlandse geschiedschrijving in de 16de en 17de eeuw over de Opstand , Leeuwarden 1981, 69-91, 289-290, 293.

[34] E. Cochrane, Historians and Historiography in the Italian Renaissance , Chicago 1981, 362-363; R.L. Kagan, Clio and the Crown. The Politics of History in Medieval and Early Modern Spain , Baltimore 2009, 131-132, 136, 211; S. Mastellone, ‘Holland as a Political Model in Italy in the Seventeenth Century’ Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden [ BMGN ] 98 (1983): 568-582; C. Reijner, ‘Een Italiaanse verdediger van de Opstand? De internationale controverse rond het werk van Gerolamo Conestaggio’, TvG 125 (2012): 173-187.

[35] ‘… ist ein fürnember man und erfarner kriegsman gewest und ain so treuer und so grosser diener, als ich glaub, wenig gefunden worden sein’ in G. Khevenhüller-Metsch ed., Hans Khevenhüller, kaiserlicher Botschafter bei Philipp II. Geheimes Tagebuch, 1548-1605 , Graz 1971, 125-126.

[36] Kamen, Alba , 167.

[37] CODOIN , 35, Carta de Felipe II al duque de Medina Sidonia, Lisboa, 31 de enero de 1582.

[38] M. Ebben, “Follow the Trail Blazed with Glorious Perseverance by the Grand Duke of Alba” Alba’s First Biographer: Juan Antonio de Vera y Figueroa, Count of La Roca, 1583-1658′ in: Ebben e.al. eds., Alba , 348-368; J.H. Elliott, The Count-Duke of Olivares: The Statesman in an Age of Decline , Berkeley 1986, 82,102-03, 505; G. Marañón, El Conde-Duque de Olivares. La pasión de mandar , Madrid 2006, 389-91, 410-11.

[39] A. Ossorio, Vida y hazañas de Don Fernando Álvarez de Toledo, Duque de Alba , vertaald uit het Latijn door J. López de Toro, Madrid 1945, 12, 14.

[40] J.H. Elliott, ‘Self-perception and Decline in Early Seventeenth-Century Spain’, Past and Present: A Journal of Historical Studies 74, 1977, pp. 41-61.

[41] De Franse editie verscheen in Parijs in 1698 onder de titel: Histoire de Ferdinand-Alvarez de Toledo, premier du nom, Duc d’Albe . De Nederlandse vertaling Het leven van Ferdinand Alvarez de Toledo, hertog van Alba verscheen in 1701 in Den Haag en de vertaler beoordeelde het boek als objectief omdat de auteur onafhankelijk zou zijn geweest van Filips II en de hertog van Alva. Er was kennelijk ook een Italiaanse versie omdat de Nederlandse uit het Italiaans is vertaald. Pas in 1945 werd het boek in het Spaans vertaald.; Maltby, Alba , IX-XI.

[42] M. Dlugaiczyk, Der Waffenstillstand, 1609-1621, als Medienereignis. Politische Bildpropaganda in den Niederlanden , Münster 2005, 29-30; C. Fontcuberta, ‘La iconografía contra el III duque de Alba. Sobre usos y recursos de las imágenes de oposición en la época moderna’ in: J.L. Palos, La Historia imaginada. Construcciones visuales del pasado en la Edad Moderna , Madrid 2008, 207-234; R. Kaper, Pamfletten over oorlog en vrede. Reakties van tijdgenoten op de vredesonderhandelingen van 1607-1609 , Werkschrift Historisch Seminarium 15, Amsterdam 1980; A. Sawyer, ‘The Tyranny of Alva: the creation and development of a Dutch patriotic image’, De Zeventiende Eeuw 19, 2003, 2, pp. 181-211.

[43] E.P. de Booy, De weldaet der scholen , Utrecht 1977, 60-61; J.C. Breen, ‘Gereformeerde populaire historiographie in de zeventiende en achttiende eeuw’, TvG 37 (1922): 254-273, 372-382; M.A. Ebben,’El diario español de Lodewijck Huygens. Un reencuentro y la confirmación de la nación neerlandesa’ in: P. Collard, M. Norbert Ubarri en Y. Rodríguez Pérez, eds., Encuentros de ayer y reencuentros de hoy. Flandes, Países Bajos y el Mundo Hispánico en los siglos XVI-XVII , Ghent 2009; M. Meijer Drees, Andere landen, andere mensen. De beeldvorming van Holland versus Spanje en Engeland omstreeks 1650 , The Hague, 1997, 106-117; A. Sawyer, ‘Medium and message. Political Prints in the Dutch Republic, 1568-1632’ in: J. Pollmann, en A. Spicer, eds., Public opinion and changing identities in the early modern Netherlands: Essays in honour of Alastair Duke , Leiden 2007, 163-187; S. Schama, The Embarrassment of Riches: An Interpretation of Dutch Culture in the Golden Age , New York 1987, 51-125.

[44] J.V. de Rustant, Historia de don Fernando Álvarez de Toledo (Llamado comúnmente el Grande) Primero del nombre, Duque de Alba. Escrita y extractada de los más verídicos autores , Madrid 1751, 2 vols. De Spaanse versie is een vertaling van de Franse vertaling van het origineel dat in het Latijn was geschreven.

[45] F. Schiller, Geschichte des Abfalls der vereinigten Niederlande von der spanischen Regierung , Stuttgart 1788. Een recente Nederlandse vertaling door Wilfred Oranje verscheen onder de titel De Opstand der Nederlanden (Amsterdam 2005) en is van annotaties en een nawoord voorzien door Eric Moesker.

[46] A. van der Lem, ‘Friedrich Schiller und die Parteien des niederländischen Aufstandes’, in: Ch. Moser, E. Moesker J. Umlauf, eds., Friedrich Schiller und die Niederlande. Historische, kulturelle und ásthetische Kontexte , Bielefeld 2012, 48-56.

[47] Het betreft de anekdotische zeventiende-eeuwse roman van Abbé de Saint-Réal en het toneelstuk van Sébastien de Mercier over het leven van Filips II.

[48] F. Schiller, Dom Karlos, infant von Spanien , Leipzig 1787. Cf. Friedrich Schiller, Don Carlos: Infante de España . Edición de Luis Acosta. Traducción de Fernando Magallanes. Madrid 1996.

[49] Johann Wolfgang von Goethe: Egmont. Ein Trauerspiel in fünf Aufzügen. Leipzig 1788; H. Dunthorne, ‘Dramatizing the Dutch Revolt’ in: J. Pollmann and A. Spicer, eds., Public Opinion and Changing Identities in Early Modern Netherlands , Leiden 2007, 18-23; H. van Nuffel, Lamoraal van Egmont in de geschiedenis, literatuur, beeldende kunst en legende (Leuven, 1971), 84-85.

[50] Nuffel, Lamoraal van Egmont , 118-119.

[51] Dunthorne, ‘Dramatizing the Dutch Revolt’, 23.

[52] Ibid., 22.

[53] ‘Cependant, tout succède à ce duc d’Albe, qui faissait trophée de la haine des Belges ; avec les grands mot d’hérésie et de rébellion, tout lui paraît légitime : les emprisonnements, les proscriptions, les violations des privilèges, l’anéantissement des droits et des garanties, les spoliations, les tortures et les supplices.’ J.J. Altmeyer, Un succursale de Tribunal de Sang , Brussels 1853, 35 and Les Gueux de Mer et la prise de la Brille , 1568-1572, Brussels 1863.

[54] Motley, J.L., The Rise of the Dutch Republic , London 1856, 503.

[55] Ibid., 106-110, 112, 500-505.

[56] Ibid., vi-vii.

[57] O.D. Edwards, ‘John Lothrop Motley and the Netherlands’, BMGN 97 (1982) 565-566.

[58] F. Martín de Arrúe, Campañas del Duque de Alba: estudios histórico-militares , Toledo 1897.

[59] M. Domínguez Berrueta, El Duque de Alba (Don Fernando Álvarez de Toledo) , Madrid 1944; Maltby, Alba , x. In de eerste helft van de twintigste eeuw verschenen er meer biografieën van Alva waarvan een korte door Juan de Castro, El Duque de Alba. Don Fernando Alvarez de Toledo , Madrid 1931 en een door Federico García Rivera, Imperio de Carlos V: El Duque de Alba, 1515-1547 , Barcelona 1944, Beide zijn niet meer dan alleen noemenswaardig.

[60] J. Fitz-James Stewart y Falcó, Discurso. Contribución al estudio de la persona del III Duque de Alba , Madrid 1919.

[61] J. Fitz-James Stewart y Falcó ed., Epistolario del III duque de Alba, Don Fernando Álvarez de Toledo , 3 dln., Madrid1952.

[62] W. Kirchner, Alba, Spaniens eiserner Herzog, Persönlichkeit und Geschichte , 29, Göttingen 1963; L. van der Essen, Kritisch onderzoek betreffende de oorlogvoering van het Spaanse leger in de Nederlanden in de XVIe eeuw. I Tijdens het bewind van Alva , Brussel 1950; M. Dierickx, ‘Nieuwe gegevens over het bestuur van de hertog van Alva in de Nederlanden’, Bijdragen tot de Geschiedenis der Nederlanden , 18 (1963-1964) 167-192; J. Craeybeckx, ‘Alva’s tiende penning’, TvG 76 (1962): 10-42.

[63] W.S. Maltby, The Black Legend in England. The development of anti-Spanish sentiment, 1558-1660 , Durham 1968.

[64] Maltby, Alba , 94, 238-240.

[65] F.H.M. Grapperhaus, Alva en de tiende penning , Zutphen 1982.

[66] M. Weis, Les Pays-Bas espagnols et les états du Saint Empire (1559-1579): priorités et enjeux de la diplomatie en temps de troubles , Brussels 2003; idem, Légitimer la répression des troubles. Les correspondances du pouvoir espagnol avec les princes allemands au début de la Révolte des Pays-Bas (1566-1568) , Studia, 99, Bruxelles 2003.

[67] Kamen, Alba , 163-165.

[68] M. Fernández Álvarez, El Duque de Hierro, Fernando Álvarez de Toledo, III Duque de Alba , Madrid 2007.

[69] B. Haan, Une paix pour l’éternité. La négociation du traité du Cateau-Cambrésis , Madrid 2010, 105-106, 112-115; Kamen, Alba , 160-161, 170-171;Rodriguez-Salgado, Changing Face of Empire , 158-161.

[70] M. Ebben, M. Lacy-Bruijn and R. van Hövell tot Westerflier ed., Alba. General and Servant to the Crown (Rotterdam 2013).Contents of the volume: Introduction : Maurits Ebben, The Grand Duke of Alba (1507-82). Admiration, Condemnation, and Fascination: The Road to New Insights ; Part I : Henry Kamen, Alba: Statesman and Diplomat; René Quatrefages, Alba Cunctator ?; José Martínez Millán, The Duke of Alba in the Court of Charles V and Philip II ; Gustaaf Janssens, The Duke of Alba: Governor of the Netherlands in Times of War ; Werner Thomas, Alba and Religion ; Rosemarie Mulcahy, The Manifestation of His Magnificence: The Third Duke of Alba and the Arts ; Almudena Pérez de Tudela, The Third Duke of Alba: Collector and Patron of the Arts ; José Manuel Calderón Ortega, Government and Administration of the House of Alba in the Sixteenth Century ; Part II : Friedrich Edelmayer, The Duke of Alba in the Holy Roman Empire ; M.J. Rodríguez-Salgado , Il Capo dei Capi : The Duke of Alba in Italy ; Raymond Fagel, The Duke of Alba and the Low Countries, 1520-73 ; Rafael Valladares, Alba in Portugal: Conquest and Government, 1580-82 ; Part III : Judith Pollmann and Monica Stensland, Alba’s Reputation in the Early Modern Low Countries ; Yolanda Rodríguez Pérez, Salamander of War, Venerable Old Nobleman: The Literary Construction of the Duke of Alba in the Spanish Golden Age ; Maurits Ebben, ‘Follow the Trail Blazed with Glorious Perseverance by the Grand Duke of Alba’ Alba’s First Biographer: Juan Antonio de Vera y Figueroa, Count of La Roca, 1583-1658.

Historiographical biography

Fernando Álvarez de Toledo, third duke of Alba, was one of the most prominent persons of his time. He was the most famous Spanish army commander during the most glorious period in Spanish history and, in one way or another, involved in nearly all of the most important political events in Europe in the mid-sixteenth century. He also was, during his lifetime, a highly controversial person, and for centuries to come a favourite subject in historiography for all kinds of purposes and from many perspectives. In his own country he initially tended to receive praise as a distinguished statesman and, especially, as military leader but eventually he was forgotten. Abroad, he was better known but enjoyed a notorious reputation. Both to hostile contemporaries and to subsequent generations Alba represented all the contemptible qualities which opponents ascribed to Spaniards. Alba is one of the core elements of the Black Legend, the anti-Hispanic propaganda used for centuries against the Spaniards. Both in England and the Netherlands he came to incarnate the archetype of evil. Through the centuries, the life of this protagonist in sixteenth-century events has interested and fascinated many, eliciting on the one hand admiration and on the other aversion and even disgust. A brief survey of the perceptions ‒ often rich in contrast ‒ developed by historiographers about the Duke of Alba since his appearance in European history demonstrates the diverse and polemical ways in which people have viewed and described this intriguing, highly controversial person, from various perspectives and with all kinds of motives. Remarkably it was not in fact until 1983 that a biography appeared which studies the many aspects and character traits of Alba as a person. [1] In this work William S. Maltby has provided a better understanding of Alba and his actions, against the background of his own time and immediate surroundings, than had been the case in previous studies, which had characterised the duke primarily in stereotypes. Although this biography is authoritative and until now the most complete, it is not a paradigm. In the current dynamic, international, and productive world of historical research, scholars have provided new insights by asking new questions. The present historiographical article brings them to the fore.

During his lifetime the Duke of Alba was a renowned military leader, among other reasons because of his share in Emperor Charles V’s victory over the Protestant troops in Mühlberg in 1547, his military operations in Italy and the Netherlands, and the conquest of Portugal. People in Spanish government circles valued the tercios ‒ the famous Spanish infantry units ‒ as the Empire’s most important pillar. Early modern Spanish historiographers, among whom former combatants in the Netherlands, put Alba in the limelight as a victor and an outstanding general because of his personal triumphs. [2] The duke and his officers could also count on the attention of contemporary foreign military experts, such as Blaise de Monluc, Sir Roger Williams, and François de La Noue, who considered the Spanish army to be one of the best in Europe. The Ejército de Flandes, the Spanish army in the Netherlands, the first standing army in Europe, was viewed as the pinnacle of military perfection and the bulwark of Spanish power in Europe, to a large extent thanks to Alba’s fame as organiser and commander. [3] During his lifetime his military qualities were praised, for example, by Juan Cristóbal Calvete de Estrella, who in 1573 published in Antwerp an epic poem in Latin, in which he compares Alba to the great military leaders of Antiquity. [4] Garcilaso de la Vega, friend and fellow soldier, also wrote poems in praise of the duke’s exploits on the battlefield. [5]

Yet, there also was criticism of the man, including from military experts. It was said that, except for the battles at Mühlberg and Jemgum (Jemmingen 1568), the duke had won no significant victories and, on the contrary, had been forced to accept a number of serious defeats, for example in the Pyrenees, in Algiers, near Metz, in Italy, and in the Netherlands. Moreover, he favoured tactics which generally were considered as unheroic and which some actually found cowardly. [6] Experience had taught Alba to avoid, as much as possible, confrontations in the open field. With evasive movements he attempted to exhaust the enemies’ armies and to cause these to disintegrate as their discipline collapsed and they suffered food shortages and ran out of money. This approach made him look like a leader who was too timid to engage in battle, or like someone who hesitated too much and could not decide when to attack. Nevertheless, this strategy turned out to be effective in the campaigns on the Danube (1546) and on the Elbe (1547), as well as, at a later time, in the Po delta and in the Netherlands when he managed to chase away William of Orange’s armies (1568) without much hostile action. [7] Actually, this strategy should probably be viewed as one of Alba’s military merits because it allowed him to avoid unnecessary bloodshed and to spare his troops. Such an approach required excellent logistics, an iron discipline among his men, and an authoritative, experienced group of army leaders. In all these areas of military strategy Alba’s qualities were generally seen as his strongest assets. [8]

In circles close to Charles V and at Philip II’s royal court in Madrid he was also the subject of criticism. The emperor, who for years had had Alba at his side as counsellor and therefore knew him well, warned his son about the duke’s extreme ambition. Eventually Philip II also came to have reservations about Alba, whose company he did not enjoy because he did not really like him as a person. Nevertheless he recognised his military qualities and loyalty, and felt more confident himself because of the duke’s resolute way of making decisions. Moreover, he valued and largely shared his ideas on matters of international politics and religion. [9]

Alba had numerous enemies at the Spanish court who rarely passed up an opportunity to cast aspersions on him. Rivals in the tough battle among factions at the court seized their chance to denounce the duke’s failures in Italy and the Netherlands. Ruy Gómez de Silva, Prince of Éboli, Alba’s greatest competitor in the struggle for the king’s favour, used to criticise what probably was the duke’s greatest weakness, namely his unbridled ambition.

In spite of all this, he could win people’s loyalty. Don Fernando was the leader of the powerful Toledo family who were influential in Castile, at the Spanish court, and in Italy. In 1548 Charles V appointed the duke mayordomo mayor (chief steward) of Prince Philip’s household, and Alba used the position to build an extensive network of clients and followers. It was not only by means of traditional connections and through his positions but also because of his personal qualities that he was able to win people’s loyalty and trust. Until 1580 he was the undisputed leader of one of two major factions or bandas which would play a dominant role at the court in Madrid. [10] The Albistas advocated a hard and formal stance in religious matters in the Spanish empire and displayed an irreconcilable and harsh attitude towards Protestants anywhere. Alba was often identified as the foremost exponent of these strict religious politics, which Philip II largely embraced as well. [11] This probably came out most strongly in his ideas on the Calvinist Huguenots he once confided to his Catholic friends in France: ‘They ought to be jailed and have their heads cut off or be exiled to a place where they can no longer do what they have done up until now…’ [12]

In approaching Elizabeth I and the English Protestants Alba adopted an apparently different course of action. He was among those who for a long time kept pleading with Philip for good relations with the English monarch and for a most cautious reaction to matters concerning the Catholic cause in England. Most contemporaries were convinced that Alba had concluded agreements with the English Queen for practical and strategic reasons only. They were mostly correct. In light of the explosive religious situation in France, it was important to remain on good terms with England and to avoid having to conduct war on three fronts: against the rebels, the French Protestants and, additionally, England. Besides, Alba was convinced that both agreements would result in the complete isolation of the Prince of Orange. After all, when it would be obvious that the queen of England was no longer sending him money and provisions, the German princes would also abandon him. [13]

During his lifetime Alba’s reputation suffered most in the Netherlands, through the distribution of partisan and negative images and ideas about his personality in pamphlets, emblems, songs, and so forth. Although Spaniards had a bad reputation in Germany and Italy, no other people at that time criticised Spaniards in general, and Alba in particular as the representative of their shortcomings, with more venom than the Dutch. [14] The harsh punishment inflicted on the rebels and on their active and passive accomplices, the military operations against the Dutch people, the administrative and fiscal reforms all left profound marks of discontent, which William of Orange’s propagandists used to their advantage. Between 1567 and 1588 in particular, they elaborated a number of themes for slander and defamation. These included Alba’s throne, the emblematic contrast between Alba and William of Orange, and Alba’s arrogance following the erection of the duke’s statue in Antwerp’s citadel. [15] In patriotic rhetorical language Alba was characterised as the enemy of the common fatherland who, following the example of the conquistadores in America, wanted to plunder the Netherlands and reduce its people to slavery. [16]

Spanish chronicles writers who were present in the Netherlands during Alba’s government and of whom some participated in his troops echo the negative response to his actions in the Low Countries. They say that the Dutch criticised in particular the Duke’s arrogance, severity and cruelty without much comment or arguments in his defence. [17]

Italian historians like Cesare Campana, Gerolamo Conestaggio, Guido Bentivoglio, and Famiano Strada, were also interested in the dramatic events of the Dutch war and in the role of protagonists such as Alba. It is said that Italians wrote almost as many historical works about the Dutch Revolt as were written by Spaniards on this subject. That was not really surprising in light of the direct involvement of Italians as soldiers, engineers, and military experts in the Spanish army during its struggle with the Dutch rebels. In general, Italian historiographers might not have defended the Revolt, yet they were highly critical of Alba’s actions in the Netherlands. Famiano Strada, who in his De bello Belgico clearly chooses Philip II’s side, is very much inclined to present Alba in a poor light, not least in order to present his compatriot, Alexander Farnese, the Duke of Parma and the later governor general in the Netherlands, in a positive image. Moreover, Gerolamo de Franchi Conestaggio, who was from Genoa but had worked and lived in Antwerp and Lisbon, wrote such an openly hostile history of Alba’s conquest of Portugal that Spanish authorities prohibited its distribution on the Iberian Peninsula. Additionally, the Spaniard Antonio de Herrera y Tordesillas felt called upon to publish a kind of apology in the form of a historical treatise. The works by Italians had a great impact, among friends and foes, on the opinions people formed of Spain and its political and military leaders, because many of these works appeared in several languages and in multiple editions in the course of the seventeenth century, and served as resources for documentation to later historians. [18]

Thus, during his lifetime Alba was already a legend among his supporters and his foes. He had managed to claim a principal role on the political and military stage of sixteenth-century Europe. Charles V and Philip II leaned on him as one of their most important servants. Although they had reservations about the Spanish grandee, they recognised his talents and ambitions and put them to good use in the interest of the Spanish monarchy by involving the duke as the practical executioner of large military operations and the solver of political problems. Alba proved to be one of the most loyal servants of both Philip and his father. The Imperial ambassador to the court in Madrid said: ‘…[Alba] was a prominent and experienced soldier and such a loyal and great servant, as I believe, only few can be found’. [19] But on the other hand, the duke was harshly criticized by his enemies in Spain and in particular abroad as being an arrogant man of severe and cruel methods.

The Legend Lives On

In 1643 the first biography of the Grand Duke was published in Milan by Juan Antonio de Vera y Figueroa, Count of La Roca. In Resultas de la vida de don Fernando Álvarez de Toledo Alba’s heroic role receives extensive attention. [20] The book is a desperate attempt to raise morale by showing the Spaniards that their fatherland had indeed produced illustrious persons whom they should cherish as examples while trying to change Spain’s current loss of political and military power in the world suffered since the death of Philip II. The book, which, curiously, has been overlooked by many historians, deserves attention, in the first place because of the significant position which the author ascribes to Alba in the history of Spain. [21]

Whereas Vera intends to present Alba as an example that fitted in Olivares’s political ideas about a rebirth of a successful recent past, the motives of the Jesuit Antonio Ossorio, author of Ferdinandi Toletani Albae Ducis Vitae, et res gestae (Salamanca 1669), are quite different. Ossorio seeks to rehabilitate the duke’s reputation by reminding people of his greatest exploits. One of his prime motives is to defend the duke against the false accusations made by his enemies. As he himself acknowledges, the book is revenge for the slanderous allegations by authors who had wanted to defame Alba and his family. But he also wants to achieve a more general rehabilitation, in Spain and abroad, for the country and its people by demonstrating that there are indeed Spaniards who have accomplished much and who have made significant contributions to human civilisation. [22] Like so many of his compatriots who were well aware of the situation, Ossorio, too, was troubled by Spain’s decline and the loss of its international prestige. [23] While Vera was hopeful, although in vain, that a return to the glorious past might still be possible, Ossorio seems to have abandoned this position and strives only to re-establish self-respect and recognition on the part of foreigners of Spain’s contributions to history. He sees Alba as the prototype of a Spaniard whose accomplishments have been discredited abroad and who has not received the recognition which he deserves. Despite all this, the book is generally well-regarded. It was widely known outside Spain because it was soon translated into French, Italian, and Dutch. [24]

While the duke could, as of 1621, count in Spain on renewed appreciation for his actions, his sinister image was refurbished in the newly independent Republic of the United Provinces as a warning to the Dutch of the new impending Spanish danger. The truce with the Spaniards (1609-1621) had almost run its course and it was highly unlikely that there would be an extension, or lasting peace, because neither party considered these options advantageous. Soon the hostilities would erupt again, in full force and with renewed energy. In order to prepare the Dutch for the imminent struggle, several artists depicted the Spanish danger in propagandistic works. This propaganda was also intended to convince the Dutch that they should end their internal conflicts and focus instead on fighting their common enemy. Therefore, painters, draughtsmen, and engravers recycled familiar images such as the ‘Tyranny of Alba’. Harking back to earlier satirical compositions the duke was presented as the personification of the harsh Spanish repression and terror in the Netherlands. [25] Alba was no longer the real enemy but the depiction of his rule was certain to remind people of the war of a very recent past, which was now about to break out again in full force. Even though after the Peace of Westphalia in 1648 the English and the French, rather than the Spanish king, became the Republic’s enemies, the emblematic image of Alba served to personify and perpetuate the Spanish menace in the collective memory of the Dutch. From then on, it was not so much a matter of a real enemy as it was a matter of remembering, collectively, the heroic and patriotic struggle for freedom and for the Calvinistic faith. Alba’s negative image became a fundamental element in the patriotic programme of images and ideas whereby the young nation would, for centuries to come, affirm its right to exist and its identity. [26]

In the eighteenth century Alba rarely was the subject of serious historiography. The most important book about him in Spain was written by the Frenchman Joseph Vicente de Rustant, in 1751. This biography, which first appeared in Latin and later in French and Spanish, was primarily based on Ossario’s work and made little impression. [27] Two publications by Friedrich Schiller, however, had a great impact on the ways in which Alba was viewed, both in Spain and elsewhere. The year 1788 saw Abfall der Niederlande, in which the Dutch are presented as soldiers who fight with romantic passion for the political and religious freedom of their fatherland, which was of course very much in tune with the spirit of Schiller’s own time. Philip II and his henchmen, including the Duke of Alba, are depicted as reactionary, ruthless defenders of the Catholic Church and of the absolute monarchy who do not flinch from the harshest methods employed by the army and the Inquisition. [28] Nevertheless, Schiller’s descriptions are much more nuanced than is often supposed. Alba is not the demonic foreign occupier of the Netherlands, but the proponent of those who advise Philips II to adopt a firm stance and who wish to punish not only those directly involved in the rebellion but also the accomplices and those who allowed the rebels to get their way. Despite his romantic dramatisation, Schiller maintains enough distance to be a credible academic historian. In 1789 Abfall der Niederlande, which was the result of solid research in the literature and archives, led to his appointment as professor of history at the University of Jena. [29]

In Dom Karlos, written a year earlier and based on an anecdotal novel and a recent French play about Philip II, the scenario around the monarch is much more sinister than in Abfall. [30] In this play Schiller suggests that Philip might have ordered the murder of his son because of the latter’s love affair with his stepmother, Elisabeth of Valois. Even though Alba plays a secondary role, he fits perfectly in the macabre plot created by Schiller as a playwright. [31]

Johann Wolfgang von Goethe, Ludwig van Beethoven, Giuseppe Verdi, and Gaetano Donizetti would also be inspired by the dramatic historical events of Philip II’s era. The German author in 1788 completed a tragedy in Shakespearean style, entitled Egmont, on which he had begun work some fifteen years earlier. The central theme of this dramatic work, which reflected the Sturm und Drang ideas of the time, is the protagonist’s craving for political freedom – a pursuit for which he is willing to die. In the play, the Count of Egmont is executed on the scaffold on the orders of a despotic Alba, but his martyrdom represents a victory over the Spanish invaders’ repression. His death will bring freedom to the Netherlands. [32]

Ludwig van Beethoven, who cherished republican and democratic ideas and who frequently reacted against the political power of kings and nobility, was fascinated by Goethe’s tragedy. When, in 1809, the Burgtheater in Vienna asked him to compose music for the play, he did not hesitate for a moment and in very short time composed an overture, together with several scores for voice and complete orchestra. The overture, which is one of the famous composer’s most celebrated works, is a symphonic poem in which Beethoven, to heighten the melodramatic effect, combines his music with readings of Goethe’s play about Egmont. [33] In 1839 Donizetti composed an opera about Alba and his stay in the Netherlands using a French libretto. The unfinished work was eventually completed by his student Matteo Salvi and performed for the first time in Rome in 1882. Although this opera, Il duca d’Alba, is often listed together with the above mentioned German artistic works as influential in determining Alba’s image, it is unlikely to have made much of an impression because it is rather simplistic and has indeed rarely been performed. [34]

Influenced by the revolutionary events in Italy in his own time, Verdi chose the turbulent sixteenth-century Netherlands as the setting for his most successful and mature Schiller opera. His Don Carlo (1866) and Donizetti’s Il duca d’Alba are two examples among several other operas which found their inspiration in the Dutch Revolt. Because in nineteenth-century bourgeois circles opera was a beloved and well-attended form of entertainment, it has contributed to the formation of a widely accepted romantic, though anachronistic, image of the Dutch Revolt and its protagonists, including Alba. [35]

The studies by the American historian John Lothrop Motley have contributed intensely to Alba’s image as a malevolent man. His work was translated into many languages and was considered a good read by many, especially in the United States because he depicted the Dutch Revolt as a highly charged and historic precedent for the American struggle for independence. In his Rise of the Dutch Republic (1848) he discusses the duke’s years as governor general extensively and delivers a devastating final judgement: ‘On the whole, so finished a picture of a perfect and absolute tyranny has rarely been presented to mankind by History, as in Alva’s administration of the Netherlands’. [36] He piles one accusation on top of another so that the result is a caricature in which Alba becomes a demonic, irrational brute. Motley is aware of this but goes even further by adding that if he had written fiction, it would have been grotesque. He insists that his judgement is based on facts and on statements by the perpetrator himself, and that it is therefore irrevocable. [37] Motley claims that his work is the result of meticulous research, conducted with the honest intention of finding the truth by studying original documents and later historical works in any language and irrespective of religious and political views. [38] It is obvious, though, that he relies very heavily on Dutch sources which he fails to evaluate critically, and that he has been unable to rid himself of his Protestant, bourgeois and liberal prejudices. There is some truth to the allegation that he allowed his enthusiasm to get the best of him, lost his common sense, and distorted or omitted parts of the knowable truth and even added fictitious details in order to have ‘a good story’. [39]

New Insights

As in many other Western European countries, the nineteenth century saw an enormous outpouring in Spain of historical studies and source publications. Of truly invaluable, long-term importance are the numerous publications of primary sources, among which the 113-volume series Colección de documentos inéditos para la historia de España, published between 1842 and 1895, deserves special recognition. Several of these volumes contain important source material on Alba and are particularly rich in information about his governorship in the Netherlands. [40]

But it was in the twentieth century that one of Alba’s distant descendants gave a truly powerful, innovative impulse to historical research on the Grand Duke: Jacobo F.J. Stuart y Falcó, Duke of Berwick and Alba. In his inaugural speech delivered when he entered the Real Academia de Historia in 1919, Stuart y Falcó, driven by a desire to rehabilitate his ancestor, argued for an objective study of the Grand Duke, undertaken without preconceived notions and based solely on historical documents. [41] On his initiative, under his guidance, and with his financial assistance, the Epistolario del III duque de Alba, Don Fernando Álvarez de Toledo was published in 1952. Its three volumes contain all of the duke’s correspondence that the family had saved. To this collection Stuart y Falcó added a large number of unpublished letters from the Archivo General de Simancas, the British Library in London, the Bibliothèque Nationale in Paris, and the Vatican’s archives in Rome. The publication of these sources, which include letters on political and military topics between 1536 and 1581, is by no means complete; yet it is of the highest importance to any scholar who wishes to study the duke on the basis of first-hand, original documentation. Through the correspondence one becomes acquainted, in a touching and immediate way, with his thoughts, opinions, assessments, insights, and complaints. Although it remains difficult to scrutinise the man on the basis of these documents because they do not include truly private letters, the Epistolario is of immeasurable value because it opens the door to new insights. No scholar can ignore the Epistolario and since its publication all biographers have indeed consulted it extensively.

In 1963 Walther Kirchner published a biography of Alba that was part of a popular historical series. In a nutshell he tells a large audience about the Spanish statesman’s life. To his own surprise, Kirchner had to conclude that no biographies of Alba were available which were based on the then available historical sources and met the scholarly criteria of historiography. In spite of the restrictions imposed by the editorial policy of the series Persönlichkeit und Geschichte, he wrote an accessible synthesis of the then available knowledge, which came primarily from published sources, including the Epistolario and secondary literature. However, Kirchner did not consider revisionist studies by three Belgian historians, Jan Craeybeckx, Michiel Dierickx, and Léon Van der Essen, who displayed a nuanced approach to Alba’s efforts and reforms in the Netherlands. [42] The concise volume could not fill the lacuna which he had mentioned, if only because of its limited scope.

Another thirty years passed before a modern, scholarly, full-length biography appeared of Alba, the statesman and military leader who was undoubtedly one of the key figures in the sixteenth century. William S. Maltby produced an excellent political biography based on his examination of many different sources in all countries where Alba had left his mark. This American scholar’s international approach was a seamless fit in the new framework of historical research, which changed drastically after World War II. Historians not only began to look for sources beyond national borders, but their international exchanges and contacts challenged the traditional national historiographies in many Western countries. Interpreting a nation’s history in an international context and making comparisons with other countries often proves to be much more fruitful than national statements. And what’s more: often the history of a country turns out to be much less a uniquely national matter than had been supposed, being instead part of a European or interregional phenomenon. Moreover, after 1945 historiography in the Western world became increasingly professional and scholarly, and this development continued to be reinforced in the 1960s with the expansion of institutions of higher education in Western Europe.

It is undeniably true that foreign historians have made enormous contributions to our knowledge of the history of Spain by studying it in a European context. First, Fernand Braudel and other French scholars belonging to the Annales School examined Philip II’s empire in a geopolitical context, while at a later time Spain’s history was placed in a broad international frame of reference by British scholars. John Elliott’s concept of ‘Imperial Spain’ and Geoffrey Parker’s notion of a ‘Grand Strategy’ allowed us to gain a much better understanding of Philip II’s actions and those of subsequent Spanish Habsburgers than was possible on the basis of traditional national beliefs. In his work Maltby, who had already distinguished himself as an excellent hispanist through the publication of his study on the Black Legend in England, took advantage of the newly acquired scholarly insights and created a strikingly new image of the Iron Duke. [43]

Whereas earlier, nationally oriented biographies had produced a rather one-sided vision, of which the often hagiographical Spanish image and the caricatured demonic, anti-Spanish archetype were the two extremes, Maltby presents a much more credible and much more versatile person: Alba emerges as an intelligent, adroit politician, a pragmatic administrator, a polished man with a certain cultural refinement, as well as a skilled military leader, if not the most skilled of his time. Alongside the Emperor Charles V he proves to be a political and military leader; for Philip II, he is a courtier during the latter’s trip to England, carries out important assignments in 1555-57 in Italy, where he has an extensive network of friends and relatives, and is governor general in the Netherlands between 1567 and 1573. But Maltby also shows another side: Alba’s unpleasant character traits – his arrogance, his unbridled personal ambition, a sombre fanaticism, and his sometimes merciless cruelty. The carnage he wreaked among French soldiers in Piedmont in 1555 and in the Netherlands in 1572-73 was exceptional, even for that period. It cannot be dismissed as a form of strategic intimidation, and had little or nothing to do with anti-Protestant measures. Alba’s cruel reign of terror was, according to Maltby, not a figment of the Black Legend but amounted to real, barbaric violence indeed, inflicted by a heartless perpetrator who did not understand that the use of violence only makes sense when accompanied by mercy. [44]

With his extensive knowledge of Europe’s early modern history Maltby has succeeded in presenting Alba in a context that makes his actions better understandable. His pioneering and hitherto unsurpassed work does have some shortcomings, which have only come to light, though, because of more recent scholarship. For example, our knowledge of Alba’s fiscal policies in the Netherlands is now more detailed thanks to research by the late Ferdinand Grapperhaus. [45] Again, Maltby discusses at length what according to Alba should be the king’s policy towards England, but he hardly mentions his ideas on diplomacy vis-à-vis the German empire. Recent studies have demonstrated, however, that these, too, had a great impact on his actions in the Netherlands. In Maltby’s biography we do not get to know Alba’s personal deliberations or his psyche either. The author was aware of this, but added that the sources available at the time did not allow him to study this aspect.

In 2004, twenty-one years after the publication of Maltby’s book the British hispanist and historian Henry Kamen presented a new biography. Despite much criticism, regarding his use of sources and literature for instance, Kamen has written a multifaceted re-evaluation of a number of the duke’s character traits, opinions, and accomplishments. The main virtue of this book is that the author provides an even better description of the times in which the duke lived and of the world that surrounded him than Maltby does. To accomplish this, Kamen puts to good use the extensive historical knowledge of Spain’s rule in Europe and the New World – knowledge which has resulted from the greatly increased academic interest in the Spanish world. [46]

The Grand Duke’s quincentenary in 2007 prompted a number of publications, [47] including a complete biography based on original sources by the late Manuel Fernández Álvarez. [48] The Spanish historian did believe that five hundred years after his birth the Duke’s special qualities deserved to be discussed. Fernández Álvarez not only addressed Alba’s military accomplishments but also his diplomatic skills. The latter was somewhat risky because scholars who previously had written on this topic, had generally come to the conclusion that precisely in the field of diplomacy the duke’s talents were somewhat limited. He was too impatient, rather tactless and irascible, and moreover, saw diplomacy only as an extension of conducting war. [49]

Since its publication in 1983 Maltby’s biography has been the decisive factor in how Alba is viewed. But the dynamic and productive scholarly world has continued to evolve. Studies abound, both on the sixteenth century in general and on specific topics, and many of them have provided fresh insights which also shed a new light on Alba and his actions. In the recent collection of biographical articles Alba, General and Servant to the Crown authors from several countries, all trained and active in international scholarly circles, discuss a large number of aspects of the life of Fernando Álvarez de Toledo, third duke of Alba. [50] The volume aims to provide a new, well-considered and balanced view of Alba as a person and of his actions by examining him carefully from various angles. What makes the volume particularly innovative is its international orientation, which links it to Maltby’s and Kamen’s biographies. Precisely because of its collective character, however, the book provides a more diverse image than Maltby and Kamen were able to present. The internationally oriented scholars do not reach a communis opinio regarding Alba, so allowing the reader to weigh the various conclusions and arrive at balanced views of the man. It is also a source of inspiration for new research on the intriguing figure Fernando Álvarez de Toledo definitely was.

Maurits Ebben

[1] W.S. Maltby, Alba: A Biography of Fernando Álvarez de Toledo, Third Duke of Alba 1507-1582 , Berkeley 1983 .

[2] Spanish historiography in which Alba’s military exploits and his other actions are discussed and often praised, is extensive. It includes the work of Alonso de Ulloa (1569), Pedro Cornejo (1577), Bernardino de Mendoza (1590), Antonio Carnero (1625), Juan Pablo Mártir Rizo (1627), among many others. Luis Cabrera de Córdoba, too, devotes a good number of pages to Alba in his extensive biography, Felipe segundo, rey de Espana .

[3] Brantôme, Hommes illustres et grands capitaines étrangers , 77-78; F. González de León, The Road to Rocroi: Class, Culture and Command in the Spanish Army of Flanders, 1567-1659 , Leiden – Boston 2009, 6-8.

[4] J.C. Calvete de Estrella, Encomio de Don Fernando Álvarez de Toledo Duque de Alba , Madrid 1945. First edition: Antwerp 1573.

[5] Garcilaso de la Vega, Obras completas , Madrid 1981, 367-68, 1041-58. The Italian poet Giovanni Carga composed an anthology of poems about the Dutch period written by several of his compatriots who had served in the Netherlands under Alba: De victoria ducis Albae apud Belgas. Carmina illustrum poetarum italorum , Paris 1576. W.C. Mees, Alva , Assen 1957, 127 n. 54.

[6] H. Kamen, The Duke of Alba , New Haven – London, 160-63; Maltby, Alba , 61.

[7] E. Martínez Ruiz, Los soldados del rey. Los ejércitos de la Monarquía Hispánica, 1480-1700 , Madrid 2008, 138-40; R. Quatrefages, Los tercios españoles, 1567-1577 , Madrid 1979, 92; L.M. Enciso Recio, ‘El III duque de Alba ante la historia’, in Ser Quijano, Actas , 44.

[8] González de León, The Road to Rocroi , 51, 51-62, 107-15; Martínez Ruiz, Los soldados del rey , 138-40; Parker, Spanish Road , 13, 106-09; Quatrefages, Los tercios españoles , 92.

[9] Maltby, Alba , 68-69.

[10] J.M. Boyden, The Courtier and the King: Ruy Gómez de Silva, Philip II, and the Court of Spain , Berkeley 1995, 93-97; P.D. Lagomarsino, ‘ Court Factions and Formulation of Spanish Policy towards the Netherlands, 1559-1567’ [unpublished doctoral dissertation], Cambridge 1973, 11-14, 192-206; Maltby, Alba , 67-77; G. Parker, Felipe II. La biografía definitiva , Barcelona 2010, 182-86.

[11] J.H. Elliott, Imperial Spain, 1469-1716 , London 1990, 262-63; Lagomarsino, ‘ Court Factions’, 289-319; Maltby, Alba , 72-73; G Marañón, Antonio Pérez. El hombre, el drama, la época , Madrid 1969, 1:127.

[12] ‘…que son cinco o seis, que son en cabo de todo esto, los tomasen a su mano y les cortasen las cabezas, o los pusiesen en parte donde no pudiesen hacer lo que hasta aquí han hecho…’, EA 1:591 and 592.

[13] W. Thomas, ‘Alba and Religion’ in: M. Ebben e.al., eds. Alba General and Servant to the Crown , Rotterdam 2013, 134, n. 100.

[14] G.J. Geers, De Zwarte Legende van Spanje , Groningen – Batavia 1947; H. Henrichs, ‘Johan Brouwer en de Zwarte Legende. Spanje en de Nederlanden in het licht van de historiografie der twee Spanjes’, Theoretische Geschiedenis 11 (1984): 359-80; J. Pollmann, ‘Eine natürliche Feindschaft: Ursprung und Funktion der schwarzen Legende über Spanien in den Niederlanden, 1560-1581’, in F. Bosbach, ed., Feindbilder. Darstellung des Gegners in der politischen Publizistik des Mittelaters und der Neuzeit , Cologne – Weimar – Vienna 1992, 73-93; H. de Schepper, ‘La “Guerra de Flandes”. Una sinopsis de su Leyenda Negra, 1550-1650’, Foro Hispánico 3 (1992): 67-86; K.W. Swart, ‘The Black Legend during the Eighty Years War’, in J.S. Bromley and E.H. Kossmann, eds., Britain and the Netherlands , vol. 5: Some Political Mythologies , The Hague 1975, 36-57; G. Versteegen, ‘Bewondering, verwondering en verachting. De beeldvorming omtrent Spanje en de Zwarte Legende’, Theoretische Geschiedenis 24 (1997): 260-78.

[15] Arnade, Beggars, Iconoclasts and Civic Patriots , Ithaca-London 2008, 166-211; D. Horst, De Opstand in zwart-wit. Propagandaprenten uit de Nederlandse Opstand, 1566-1584 , Zutphen 2003; P.A.M. Geurts, De Nederlandse Opstand in pamfletten, 1566-1584 , Nijmegen 1956; C.R. Harline, Pamphlets, Printing and Political Culture in the Early Dutch Republic , Dordrecht 1987; J. Tanis and D. Horst, Images of Discord: A Graphic Interpretation of the Opening Decades of the Eighty Years’ War , Bryn Mawr – Grand Rapids (MI) 1993.

[16] A. Duke, ‘In Defence of the Common Fatherland: Patriotism and Liberty in the Low Countries, 1555-1576’, in A. Duke, Dissident Identities in the Early Modern Low Countries , Farnham 2009, 71-73; idem, ‘Dissident Propaganda and Political Organisation at the Outbreak of the Dutch Revolt of the Netherlands’, in ibid., 154-55; B. Schmidt, ‘Tyranny Abroad: The Dutch Revolt and the Invention of America’, De Zeventiende Eeuw 11 (1995): 161-74.

[17] Y. Rodríguez Pérez, ‘Salamander of War, Venerable Old Nobleman: The Literary Construction of the Duke of Alba in the Spanish Golden Age’ in: Ebben e.al. eds., Alba , 340-43 .

[18] E. Cochrane, Historians and Historiography in the Italian Renaissance , Chicago – London 1981, 362-63; R.L. Kagan, Clio and the Crown: The Politics of History in Medieval and Early Modern Spain , Baltimore 2009, 131-32, 136, 211; S. Mastellone, ‘Holland as a Political Model in Italy in the Seventeenth Century’, Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 98 (1983): 568-82; C. Reijner, ‘Een Italiaanse verdediger van de Opstand? De internationale controverse rond het werk van Gerolamo Conestaggio’, TvG 125 (2012): 173-87.

[19] ‘…ist ein fürnember man und erfarner kriegsman gewest und ain so treuer und so grosser diener, als ich glaub, wenig gefunden worden sein’, in G. Khevenhüller-Metsch, ed., Hans Khevenhüller, kaiserlicher Botschafter bei Philipp II. Geheimes Tagebuch, 1548-1605 , Graz 1971, 125-26.

[20] J.A. de Vera y Figueroa, Resultas de la vida de Don Fernando Álvarez de Toledo, tercero duque de Alva , Milan 1643.

[21] M. Ebben, “Follow the Trail Blazed with Glorious Perseverance by the Grand Duke of Alba” Alba’s First Biographer: Juan Antonio de Vera y Figueroa, Count of La Roca, 1583-1658′ in: Ebben e.al. eds., Alba , 348-368; J.H. Elliott, The Count-Duke of Olivares: The Statesman in an Age of Decline , Berkeley 1986, 82,102-03, 505; G. Marañón, El Conde-Duque de Olivares. La pasión de mandar , Madrid 2006, 389-91, 410-11.

[22] A. Ossorio, Vida y hazañas de Don Fernando Álvarez de Toledo, Duque de Alba, translated from the Latin by J. López de Toro , Madrid 1945, 12, 14.

[23] J.H. Elliott, ‘Self-perception and Decline in Early Seventeenth-Century Spain’, Past and Present: A Journal of Historical Studies 74 (1977): 41-61.

[24] The French edition appeared in 1698 in Paris, under the title: Histoire de Ferdinand-Alvarez de Toledo, premier du nom, Duc d’Albe. The Dutch translation, Het leven van Ferdinand Alvarez de Toledo, hertog van Alba, was published in The Hague in 1701 and the translator considered the book to be objective because the author supposedly had been independent from Philip II and the Duke of Alba. Evidently there was also an Italian version because the Dutch text was translated from the Italian. It was not until 1945 that the book was translated into Spanish; Maltby, Alba , IX-XI.

[25] M. Dlugaiczyk, Der Waffenstillstand, 1609-1621, als Medienereignis. Politische Bildpropaganda in den Niederlanden , Münster 2005, 29-30; C. Fontcuberta, ‘La iconografía contra el III duque de Alba. Sobre usos y recursos de las imágenes de oposición en la época moderna’, in J.L. Palos, La Historia imaginada. Construcciones visuales del pasado en la Edad Moderna , Madrid 2008, 207-34; R. Kaper, Pamfletten over oorlog en vrede. Reakties van tijdgenoten op de vredesonderhandelingen van 1607-1609 , Werkschrift Historisch Seminarium 15, Amsterdam 1980; A. Sawyer, ‘The Tyranny of Alva: The Creation and Development of a Dutch Patriotic Image’, De Zeventiende Eeuw 19 (2) (2003): 181-211.

[26] E.P. de Booy, De weldaet der scholen , Utrecht 1977, 60-61; J.C. Breen, ‘Gereformeerde populaire historiographie in de zeventiende en achttiende eeuw’, TvG 37 (1922): 254-73, 372-82; M.A. Ebben, ‘El diario español de Lodewijck Huygens. Un reencuentro y la confirmación de la nación neerlandesa’, in P. Collard, M. Norbert Ubarri, and Y. Rodríguez Pérez, eds., Encuentros de ayer y reencuentros de hoy. Flandes, Países Bajos y el Mundo Hispánico en los siglos XVI-XVII , Ghent 2009; M. Meijer Drees, Andere landen, andere mensen. De beeldvorming van Holland versus Spanje en Engeland omstreeks 1650 , The Hague 1997, 106-17; A. Sawyer, ‘Medium and Message: Political Prints in the Dutch Republic, 1568-1632’, in J. Pollmann and A. Spicer, eds., Public Opinion and Changing Identities in the Early Modern Netherlands: Essays in Honour of Alastair Duke , Leiden – Boston 2007, 163-87; S. Schama, The Embarrassment of Riches: An Interpretation of Dutch Culture in the Golden Age , New York 1987, 51-125.

[27] J.V. de Rustant, Historia de don Fernando Álvarez de Toledo (Llamado comúnmente el Grande) Primero del nombre, Duque de Alba. Escrita y extractada de los más verídicos autores , Madrid 1751, 2 vols. The Spanish version is a translation of the French translation of the original Latin text.

[28] F. Schiller, Geschichte des Abfalls der vereinigten Niederlande von der spanischen Regierung , Stuttgart 1788.

[29] A. van der Lem, ‘Friedrich Schiller und die Parteien des niederländischen Aufstandes’, in Ch. Moser, E. Moesker, and J. Umlauf, eds., Friedrich Schiller und die Niederlande. Historische, kulturelle und ästhetische Kontexte , Bielefeld 2012, 48-56.

[30] The novel was by the Abbé de Saint-Réal and the play, about Philip II’s life, by Sébastien de Mercier.

[31] F. Schiller, Dom Karlos, infant von Spanien , Leipzig 1787. Cf. Friedrich von Schiller, Don Carlos: Infante de España , edited by L. Acosta and translated by F. Magallanes, Madrid 1996.

[32] J.W. von Goethe, Egmont. Ein Trauerspiel in fünf Aufzügen , Leipzig 1788; H. Dunthorne, ‘Dramatizing the Dutch Revolt’, in Pollmann and Spicer, eds., Public Opinion and Changing Identities in Early Modern Netherlands , 18-23; H. van Nuffel, Lamoraal van Egmont in de geschiedenis, literatuur, beeldende kunst en legende , Louvain 1971, 84-85.

[33] Van Nuffel, Lamoraal van Egmont , 118-19.

[34] Dunthorne, ‘Dramatizing the Dutch Revolt’, 23 .

[35] Ibid., 22.

[36] J.L. Motley, The Rise of the Dutch Republic , London 1856, 503.

[37] Ibid., 106-10, 112, 500-05.

[38] Ibid., vi-vii.

[39] O.D. Edwards, ‘John Lothrop Motley and the Netherlands’, Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 97 (1982): 565-66.

[40] See volumes IV, XXXVII, XXXVIII, and LXXV.

[41] J. Fitz-James Stuart y Falcó, Discurso (Contribución al estudio de la persona del III Duque de Alba) , Madrid 1919.

[42] W. Kirchner, Alba, Spaniens eiserner Herzog , Persönlichkeit und Geschichte 29, Göttingen 1963. Léon Van der Essen’s book and Jan Craeybeckx’s article were probably not mentioned because they were written in Dutch, while Michiel Dierickx’s essay was not yet available. J. Craeybeckx, ‘Alva’s tiende penning’, Tijdschrift voor Geschiedenis 76 (1962): 10-42; L. Van der Essen, Kritisch onderzoek betreffende de oorlogsvoering van het Spaanse leger in de Nederlanden in de XVIe eeuw , 9 vols., Brussels 1950-60; M. Dierickx, ‘Nieuwe gegevens over het bestuur van de hertog van Alva in de Nederlanden’, Bijdragen tot de Geschiedenis der Nederlanden 18 (1963-64): 167-92. Gustaaf Janssens wrote an important synthesis of these innovative studies: ‘Het oordeel van tijdgenoten en historici over Alva’s bestuur in de Nederlanden’, Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis 54 (1976): 474-88.

[43] W.S. Maltby, The Black Legend in England: The Development of Anti-Spanish Sentiment, 1558-1660 , Durham 1968.

[44] Maltby, Alba , 94, 238-40.

[45] F.H.M. Grapperhaus, Alva en de Tiende Penning , Zutphen 1982.

[46] H. Kamen, The Duke of Alba , New Haven-London 2004.

[47] For example: G. del Ser Quijano, ed., Actas del congreso v centenario del nacimiento del iii duque de Alba. Fernando Álvarez de Toledo , Ávila – Salamanca 2008.

[48] M. Fernández Álvarez, El Duque de Hierro. Fernando Álvarez de Toledo, iii duque de Alba , Madrid 2007 .

[49] B. Haan, Une paix pour l’éternité. La négociation du traité du Cateau-Cambrésis , Madrid 2010, 105-06, 112-15; Kamen, Alba , 160-61, 170-71; Rodriguez-Salgado, Changing Face of Empire , 158-61.

[50] M. Ebben, M. Lacy-Bruijn and R. van Hövell tot Westerflier, Alba. General and Servant to the Crown (Rotterdam 2013).Contents of the volume: Introduction : Maurits Ebben, The Grand Duke of Alba (1507-82). Admiration, Condemnation, and Fascination: The Road to New Insights; Part I : Henry Kamen, Alba: Statesman and Diplomat; René Quatrefages, Alba Cunctator ?; José Martínez Millán, The Duke of Alba in the Court of Charles V and Philip II ; Gustaaf Janssens, The Duke of Alba: Governor of the Netherlands in Times of War; Werner Thomas, Alba and Religion; Rosemarie Mulcahy, The Manifestation of His Magnificence: The Third Duke of Alba and the Arts; Almudena Pérez de Tudela, The Third Duke of Alba: Collector and Patron of the Arts; José Manuel Calderón Ortega, Government and Administration of the House of Alba in the Sixteenth Century ; Part II : Friedrich Edelmayer, The Duke of Alba in the Holy Roman Empire; M.J. Rodríguez-Salgado, Il Capo dei Capi : The Duke of Alba in Italy ; Raymond Fagel, The Duke of Alba and the Low Countries, 1520-73 ; Rafael Valladares, Alba in Portugal: Conquest and Government, 1580-82; Part III: Judith Pollmann and Monica Stensland, Alba’s Reputation in the Early Modern Low Countries; Yolanda Rodríguez Pérez, Salamander of War, Venerable Old Nobleman: The Literary Construction of the Duke of Alba in the Spanish Golden Age; Maurits Ebben, ‘Follow the Trail Blazed with Glorious Perseverance by the Grand Duke of Alba’ Alba’s First Biographer: Juan Antonio de Vera y Figueroa, Count of La Roca, 1583-1658.

De hertog van Alva.

Gravure van Frans Hogenberg
Collectie Karel Kinds

Bron: Kroniek van de Lage Landen, 1555-1609

Literatuur

A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden I (Haarlem, 1852) 69-71

Biographie Nationale de Belgique XXV (Bruxelles, 1930-1932) 388-404 (G.G. Dept) (s.v. Tolède)

Nationaal Biografisch Woordenboek XIII (Brussel, 1990) 22-36 (G. Janssens),

Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek II (Leiden, 1912) 21-32 (S.P. Haak)

Nouvelle Biographie Nationale : niet opgenomen

Alba : general and servant to the crown / editors Maurits Ebben, Margriet Lacy-Bruijn, Rolof van Hövell tot Westerflier ; advisory committee: Jaap R. Bruijn, Alastair Duke, Simon Groenveld. – Rotterdam : Karwansaray Publishers, 2013. – 464 pagina’s. : illustraties. ; 29 cm. – (Protagonists of History in International Perspective ; 3). Met index, literatuuropgave. ISBN gebonden. ISBN 978-94-90258-08-5 gebonden

Fernando Álvarez de Toledo : Congreso V Centenario del Nacimiento del III Duque de Alba ; actas ; Priedrahita, El Barco de Avila y Alba de Tormes (22 a 26 de octubre de 2007) / Gregorio del Ser Quijano (coordinador). – [Avila, Spain] : Diputacion de Avila, Institucion “Gran Duque de Alba ; [Salamanca, Spain] : Diputacion de Salamanca, 2008. – 754 p. : ill. ; 28 cm. Includes bibliographical references. ISBN 84-96433-78-1; ISBN 978-84-96433-78-6

El duque de Hierro : Fernando Álvarez de Toledo III duque de Alba / Manuel Fernández Álvarez. – Madrid : Espasa Calpe, 2007. – 451 p. ISBN 978-84-670-2625-2

Alva : een biografie / Henri Kamen ; vert. [uit het Engels]: Mireille Vroege. – Antwerpen ; Amsterdam : Houtekiet, cop. 2005. – 271 p. : ill. ; 24 cm
Vert. van: The Duke of Alba. – New Haven [etc.] : Yale University Press, 2004. – Auteursvermelding op omslag: Henry Kamen. – Met lit. opg., reg.
ISBN 90-5240-850-5

The Duke of Alba / Henry Kamen. – New Haven, Conn. [etc.] : Yale University Press, cop. 2004. – 204 p., [8] p. pl. : ill., krt. ; 24 cm. Met lit. opg. en index. ISBN 0-300-10283-6

Andrew Sawyer, ‘The Tyranny of Alva : the creation and development of a Dutch patriotic image’, De Zeventiende Eeuw 19 (2003) 181-211

J.G.C. de Wolf, ‘Burocracia y tiempo como actores en el proceso de decisión. La sucesión del gran duque de Alba en el gobierno de los Países Bajos’ , Cuadernos de Historia Moderna 28 (2003) 99-124

Het beleid van Alva in de Nederlanden 1567-1573 / [door] J.G.C. de Wolf. – [S.l.] : [s.n.], 1994. – III, 99 p. : ill. ; 30 cm. Doctoraalscriptie Utrecht.

Don Fernando Alvarez de Toledo, tercer Duque de Alba, y los Países Bajos/ / por Gustaaf Janssens = Don Fernando ´Alvarez de Toledo, derde Hertog van Alva, en de Nederlanden / door Gustaaf Janssens ; [trad. del neerlandés: Ma. José Calvo … et al. ; fotogr. Ivo Lemaire ; ed.: Armand de Troyer]. – Bruselas : Ministerio de la Comunidad Flamenca = Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, [1993]. – 34 p. : ill., portr. ; 30 cm. Titel en tekst in het Spaans en Nederlands. – Lit. opg.: p. 33-34.

Patrie! : an historical drama in five acts (eight scenes) / by Victorien Sardou ; translated from the French by Barrett H. Clark ; with an introduction by the translator. – New York : H. Fertig, 1987, [c1915]. – xxiii, 202 p. : port. ; 22 cm. – (The Drama League ser ies of plays ; v. 9). Translation of: Patrie!. – Reprint. Originally published: Garden City, N.Y. Doubleday, Page, 1915. ISBN 0-86527-355-3

Alva / P. ‘t Hart. – Gorinchem : De Ruiter, cop. 1984. – 12 p. : ill. ; 15 x 17 cm. – (Informatie ; 469)

Alba : a biography of Fernando Alvarez de Toledo, third duke of Alba, 1507-1582 / William S. Maltby. – Berkeley [etc.] : University of California Press, 1983. – xvii , 377 p., [8] p. pl. : ill., krt., portr. ; 24 cm. Met index. ISBN 0-520-04694-3

Alva en de tiende penning / Ferdinand H.M. Grapperhaus. – Zutphen : Walburg Pers ; Deventer : Kluwer, cop. 1982. – 399 p. : ill. ; 26 cm. Met bibliogr., lit. opg., reg. ISBN 90-6011-130-3 (Walburg Pers) geb. ISBN 90-200-0764-5 (Kluwer) geb.

Het oordeel van tijdgenoten en historici over Alva’s bestuur in de Nederlanden / G. Janssens. – [S.l. : s.n.], 1976. – p. 474-488. ; 23 cm
Overdr. uit: Belgisch tijdschrift voor filologie en geschiedenis.- vol. 54, nr. 2 (1976) pp. 474-488. – Met lit. opg.

‘Twee susters soet van aert’ : zu Wort und Bild in den Niederlanden im 16. und 17. Jahrhundert / Jochen Becker. – [Maarssen etc. : Schwartz etc.], 1975. – viii, 108 p. : ill. ; 24 cm. Tijdschriftartikelen, 1971-1973. – Proefschrift Utrecht.

La statue du duc d’Albe à Anvers par Jacques Jonghelinck (1571) / par L. Smolderen. – Bruxelles : Palais des Académies, 1972. – 98 p., xxv p. pl. : ill., facs. ; 24 cm. – (Académie royale de Belgique. Mémoires de la classe des beaux-arts. Collection in -80, 2. sér., t. 14, fasc. 1)

Hochmut kommt vor dem Fall : zum Standbild Albas in der Zita del le von Antwerpen 1571-1574 / Jochen Becker. – 1971
In: Simiolus : kunsthistorisch tijdschrift, ISSN 0037-5411: vol. 5 (1971), afl. 1-2, pag. 75-115. Ook in: ‘Twee susters soet van aert’ : zu Wort und Bild in den Niederlanden im 16. und 17. Jahrhundert / Jochen Becker. – [Maarssen etc. : Schwartz etc.], 1975. – viii, 108 p. : ill. ; 24 cm
Tijdschriftartikelen, 1971-1973. – Proefschrift Utrecht.

Alba : Spaniens ei ser ner Herzog / Walther Kirchner. – Göttingen [etc.] : Musterschmidt, 1963. – 91 p. : portr. ; 18 cm. – (Persönlichkeit und Geschichte ; Bd 29)

Alva / [door] Walter Kirchner ; [vert. W. Jappe Alberts]. – Den Haag : Kruseman, [1968]. – 108 p. : ill. ; 20 cm. – (Grote figuren uit heden en verleden). Vert. van: Alva, Spanies ei ser ner Herzog. – Lit.opg.

Arias Montano y el duque de Alba en los Paises Bajos / por Herta Schubart. – Santiago de Chile [etc.] : Cruz del Sur, 1962. – 73 p. : ill. ; 17 cm. – (Renuevos de Cruz y Raya ; 4)

Alva / W.C. Mees. – Assen : Van Gorcum, 1957. – 128 p. : ill. ; 25 cm. – (Van Gorcum’s historische bibliotheek ; nr. 56). Met lit. opg. N.B. dit boek dient met ernstig voorbehoud gebruikt te worden; het bevat ongemotiveerde vooroor del en, waardoor het wetenschappelijk gehalte gering is.

Nieuw licht op Alva / J.A. van Praag. – Amsterdam : Stichting IVIO, 1953. – 16 p. : ill. ; 18 cm. – (AO 475)

Epistolario del III duque de Alba, don Fernando Alvárez de Toledo / [publ. por Jacobo María del Pilar Carlos Manuel Fitz-James Stuart] duque de Alba. – Madrid, 1952. – 3 dl. : ill., portr., krt., facs. ; 28 cm. Name of editor, Duque de Alba, de la Real Academia de la Historia, at head of title. – Lit. opg. – Index in dl. 3. 1: Años 1536-1567. 2: Años 1568-1571. 3: Años 1572-1581.
Plaatsingscode UB Leiden: 3448 A 23-25

El gran duque de Alba, don Fernando Alvarez de Toledo, 1507-1582 : conferencia en São Paulo, Brasil / Duque de Alba. – Madrid : [s.n.], 1951. – 34 p., [1] leaf of plates. : port. ; 25 cm. At head of title: Duque de Alba, director de la Real Academia de la Historia.

Kritisch onderzoek betreffende de oorlogvoering van het Spaans leger in de Nederlanden in de XVIe eeuw / door L. van der Essen. – Brussel : Paleis der Academiën, 1950-1960. – 9 dl. ; 27 cm. Vanaf dl. 2 o.d.t.: Kritische studie over de oorlog(s)voering van het Spaanse leger in de Nederlanden tijdens de XVIe eeuw. – Met lit.opg.
I: Tijdens het bewind van Alva. – 1950. – 36 p. ; 26 cm. – (Mede del ingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Klasse der Letteren ; jrg. 12, no. 1). Met lit. opg.
Plaatsingscode UB Leiden: Open Magazijn kast 14762, V 4058 12: 1

The great Duke of Alba as a public ser vant / by the duke of Berwick and Alba. – London [etc.] : Oxford University Press, 1947. – 35 p. ; 17 cm

The great duke of Alba as a public ser vant / by the duke of Berwick and Alba. – [S.l.] : [s.n.], 1946. – 20 p. ; 25 cm. Lecture del ivered at the Taylorian Institution, Oxford.

Vida y hazañas de Don Fernando Alvarez de Toledo, duque de Alba / Antonio Ossorio ; traducción de José Lopez de Toro ; edición y prólogo de [Jacobo Carlos Fitz-James Stuart Falco] duque [de Berwick y] de Alba. – Madrid : Blass, 1945. – 551 p. : portr. ; 25 cm. [Traduction du latin de : Ferdinandi Toletani Albae Ducis Vita & res gestae, Salamanca 1669.].

El gran duque de Alba (Don Fernando ´Alvarez de Toledo) / por Mariano D. Berrueta. – Madrid : Biblioteca Nueva, 1944. – 254 p. ; 19 cm. – (La España imperial)

Een officieel bezoek van den hertog van Alva aan Kampen / S. Elte. – Zwolle, 1938. – 8-o. Overdr. uit: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, mei 1938.

Ostfriesland und die Niederlande zur Zeit der Regentschaft Albas, 1567-1573 / von A. Franz. – Emden : Schwalbe, 1895. – 294 p. : krt. ; 24 cm. Overdr. uit: Jahrbuch der Gesellschaft für bild. Kunst und vaterl. Altertümer zu Emden ; Bd. 11.

Ostfriesland und die Niederlande zur Zeit der Regentschaft Albas 1567 – 1573 / A. Franz. – Berlin, 1893. – Inaug.-Dis ser t.

Campañas del Duque de Alba : Estudios historico-militares / Francisco Martin Arrue. – Toledo, 1879. – 2 dl. ; in-8.

Noticia de la translación del cuerpo del duqe de Alba desde el convento de San Leonardo de Alba de Tormes al de San Esteban de Salamanca, in: Colleción de Documentos Inéditos para la Historia de España, vol. 35, Madrid, 1859, 361-378

Correspondance du duc d’Albe sur l’invasion du comte Louis de Nassau en Frise, en 1568, et les batailles de Heyligerlée et de Gemmingen / publ. par Gachard. – Bruxelles ; Leipzig : Muquardt, 1850. – 168 p. ; 20 cm. Overdr. uit: Bulletins de la Commission Royale d’Histoire ; tome 16, no.3.

Sententien en indagingen van den Hertog van Alba, uitgesproken en geslagen in zynen Bloedtraedt … Mitsgaders een aenhangsel van authentike stukken, spruitende uit deselve sententien. / Nu eerst in ‘t licht gegeeven na het oorspronkelyk handtschrift, door Jacob Marcus. – Te Amsterdam, : by Hendrik Vieroot …, 1735. – XXII, [6], 484, [16] p. : gegrav. titelbl. ; in-8

Resultas de la vida de don Fernando Aluarez de Toledo, terçero duque de Alua / escrita por don Iuan Antonio de Vera y Figueroa, conde de la Roca. – [Milan : s.n], [1643]. – [12], 215, [1] p. ; 21 cm. (4to) Signatures: pi6 A-2D4. – Imprint from Palau.
Plaatsingscode UB Leiden: 181 G 32

De schets van dvc d’Alva, die de Hollanders balhoorigh maackt. – 1630, 1630. – [8] p. ; in-4. – A4. Knuttel 4078.
Plaatsingscode UB Leiden: PAMFLT 1630: 2

Giovanni Carga, De victoria ducis Albae apud Belgas. Carmina illustrum poetarum italorum. Paris, 1576.
[Vermeld bij Ebben, Inleiding, ter perse] [niet in worldcat, 24.VI.2012, AvdL]

Beschreibung, vnd grundtlicher Bericht, aller Kriegszhandlung, so sich im Niderlandt, zwischen dem Hertzogen von Alba, vnd dem P[rinzen] von Oranien anfäncklichen des 72. Jahrs, bisz auff dise Zeit verloffen vnnd zugetragen hat. – [S.l.] : [s.n.], 1574. – 16 p. ; in-4
Plaatsingscode UB Leiden: PAMFLT 1574: 1

Juan Cristóbal Calvete de Estrella, Encomio de Don Fernando Álvarez de Toledo duque de Alba. Antwerpen, 1573 [niet gezien, niet in NL, geciteerd bij Maurits Ebben, inleiding; heruitgave Madrid 1945 ook nergens in NL]

Des duca von Alba, vnd seiner verordenten zwelff Rethe erklerung, welcher halben einer Leibs vnd Guts in den Niderlanden verlustig. – [S.l. : s.n.], 1569. – [8] p. ; in-4