1597


Danklied voor de overwinningen van prins Maurits

Uit: A. Valerius: Nederlandtsche Gedenck-clank , 1943 (herdrukt naar de oorspronkelijke uitgaaf van 1626), 168.

Wilt heden nu treden voor God den Heere;
Hem boven al loven, van herten seer,
End’ maken groot syns lieven naemens eere,
Die daer nu onsen vyand slaet ter neer.

Ter eeren ons Heeren, wilt al u dagen,
Dit wonder bysonder gedencken toch.
Maeckt u, o mensch! voor God steets wel te dragen,
Doet yder recht, en wacht u voor bedrog.

D’arglosen, den boosen om yet te vinden,
Loopt driesschen, en briesschen gelyck een leeu,
Soeckende wie hy wreedelyck verslinden,
Of geven mocht een doodelycke preeu.

Bid, waket end’ maket dat g’in bekoring
End’ ‘tquade met schade toch niet en valt.
U vroomheyt brengt de vyand tot verstoring,
Alwaer syn ryck noch eens soo sterck bewalt.