Inleiding

Waarover het ging en waarom we dit moeten weten  

De geschiedenis van de Opstand in de Nederlanden of Tachtigjarige Oorlog is een ingewikkeld verhaal. Waarover ging die strijd? En waarom moeten we dat weten? En waarom duurde die oorlog zo lang?

Om greep te krijgen op die gecompliceerde werkelijkheid is het goed om vooraf de drie belangrijkste redenen te noemen van de meningsverschillen, die uitmondden in protesten, ongeregeldheden en tenslotte in oorlog en burgeroorlog. Alle complicaties en strijdpunten, alle verbonden en verdragen zijn  telkens op één of meer van deze drie hoofdredenen terug te voeren.

Het ging om drie fundamentele rechten die van alle tijden en van alle landen zijn en die – helaas – nog niets van hun actualiteit hebben verloren. Om de vrijheid van godsdienst en geweten. Om het recht op zelfbeschikking. Om het recht op medezeggenschap.

Vrijheid van godsdienst en geweten

De Tachtigjarige Oorlog is een strijd om de godsdienst geworden, terwijl Willem van Oranje een strijd om de vrijheid van godsdienst voerde. Telkens bleek bij onderhandelingen over een wapenstilstand of vrede dat de strijdende partijen niet akkoord wilden gaan met het naast elkaar gelijkwaardig erkennen van twee of meer godsdiensten. De prins van Oranje verklaarde op 31 december 1564 in de Raad van State, dat hij, hoewel zelf goed katholiek, niet kon goedkeuren dat vorsten wensten te heersen over het geweten van hun onderdanen. Dat was een principieel halt. Maar het was ook een door de praktijk ingegeven standpunt: als er naast elkaar rooms-katholieken, doopsgezinden, lutheranen en calvinisten wonen, dan is het zinloos elkaar naar het leven te staan. Toen de prins de manschappen liet werven voor het leger dat bij Heiligerlee de eerste overwinning zou behalen, gebeurde dat voor de ‘liberteyt van religie ende conscientie’ (23 mei 1568). Het hoogst haalbare was in januari 1579 bij de Unie van Utrecht de bepaling dat niemand om zijn geloof zou mogen worden onderzocht. Laat staan vervolgd. Het betekende gewetensvrijheid en het was een geweldige stap vooruit in de strijd om geloofsvrijheid. De prins wist een godsdienstvrede aangenomen te krijgen, waarbij overal waar meer dan 100 gezinshoofden om de vrije uitoefening van hun godsdienst vroegen, deze godsdiensten naast elkaar werden toegelaten. Tussen 1578 en 1580 heeft men dit in 27 steden in de Lage Landen in de praktijk geprobeerd. Dat is heel weinig naar onze maatstaven van nu. Heel veel in de harde strijd van toen. En overal mislukte het binnen korte tijd. Tolerantie moest geleerd worden ten koste van onrecht, bloed en verdriet. 

Recht op zelfbeschikking

Elke gemeenschap wil zichzelf besturen overeenkomstig eigen wetten en vrijheden; ze wil niet ondergeschikt zijn aan de belangen van een groter geheel als het daarbij wordt achtergesteld. De voorbeelden in de wereld van nu liggen voor het oprapen, helaas. In de Nederlanden in de zestiende eeuw waren velen van mening achtergesteld te worden bij andere delen van het grote rijk van Filips II. Zij vonden dat ze steeds meer ondergeschikt werden gemaakt aan de politiek van de koninklijke dynastie en niet werden bestuurd overeenkomstig hun eigen belangen.

Recht op medezeggenschap

Mensen van nu kunnen door verkiezingen hun stem laten horen en hun vertegenwoordigers kiezen. Regeringen leggen verantwoording af aan de vertegenwoordigers van het volk. Dat lag toen in de Nederlanden principieel niet anders, al was die vertegenwoordiging anders georganiseerd. Geestelijken, edelen en zelfs burgers zetelden in de raad van de vorst om hem te adviseren. Hun afgevaardigden vormden de standen of Staten van hun gewest, en hun afgevaardigden kwamen samen in de Staten-Generaal. De landsheer behartigde met hen samen het algemeen belang van het land. Meningsverschillen waren natuurlijk niet van de lucht, maar de raad en de Staten fungeerden als overlegorganen. Staten en landsheer waren bijvoorbeeld overeengekomen dat de landsheer geen oorlog zou verklaren en geen belastingen zou heffen zonder instemming van de Staten. De koning verliet dit traditionele overlegmodel steeds meer. Hij meende zijn gezag uitsluitend aan God te ontlenen en daarom als absoluut vorst te kunnen heersen. Aan de Raad en de Staten paste slechts gehoorzaamheid.

Waarom het zo lang duurde

 De godsdienst

De rooms-katholieke Kerk verkondigde en verkondigt dat er buiten de Kerk geen heil is. Er is namelijk slechts één Waarheid mogelijk. De protestanten waren ketters, de moslims ongelovigen. De aanhangers van de gereformeerde godsdienst meenden op hun beurt dat hun geloof ook de enige Ware Religie was. Het katholicisme noemden zij het pausdom, papisme of paaps bijgeloof. En omdat er geen twee Waarheden naast elkaar kunnen bestaan en de katholieke koning van Spanje geen ander geloof in zijn rijk wilde dulden, duurde de oorlog tachtig jaar.

De zelfbeschikking

De Nederlanden vormden een onafhankelijke staat van zeventien landen. Hun landsheer was ook het staatshoofd van de Spaanse koninkrijken: eerst Karel V, daarna Filips II. Daardoor kon de misvatting ontstaan dat de Nederlanden aan Spanje toebehoorden. Dat misverstand bestaat in Spanje nog steeds. De Spaanse koning stond aan het hoofd van een wereldrijk. Hij was de machtigste speler in de internationale politiek. Hij maakte de Nederlanden aan die internationale politiek ondergeschikt. De Nederlanden wilden bestuurd worden overeenkomstig hun eigen belangen, baas zijn in eigen huis, godsdienstig, politiek, militair en economisch. Wanneer Spanje uit eigen beweging het zelfbeschikkingsrecht van de Nederlanden had willen erkennen, zouden de andere bezittingen van de kroon, in de eerste plaats in Italië, maar ook in Spanje zelf hetzelfde hebben gewild. Het zou gezichtsverlies hebben betekend, een verlies aan reputación. Dat kon de Spaanse kroon  niet van zichzelf verkrijgen, en mede daarom duurde de oorlog tachtig jaar.

De medezeggenschap

Eerst door de koning, daarna door de hertog van Alva, werden zonder overleg de beslissingen opgelegd. De koning en zijn plaatsvervangers negeerden de Raad van State. De Staten-Generaal werden weldra niet meer bijeengeroepen. Die opgelegde politiek betrof ook de door Alva gevraagde Tiende Penning. Dat weigerden de Nederlanden. Maar de volgelingen van Willem van Oranje betaalden veel meer dan de Tiende Penning omdat die belasting met hun instemming werd geheven en ten bate van het eigen belang. De hertog constateerde het zelf met verbazing. Hij en zijn opvolgers hebben het nooit begrepen, en mede daarom duurde die oorlog tachtig jaar.