Linden, Jan van der

Leuven, ? – Leuven, 1585

A bt van Sint Geertrui-abdij, staatsraad naast aartshertog Mathias van Oostenrijk en naast de prins van Parma . [1]

Biografie

Jan van der Linden was een temperamentvol maar tevens wispelturig en weinig betrouwbaar politicus. Samen met zijn oudere broer Karel (1576), die sinds 1558 abt was van de Norbertijnenabdij Park bij Leuven, nam hij als abt van Sint Geertrui het voortouw in de oppositie van de grote abdijen tegen Philips II koning van de Spanjen en landsheer van de Nederlanden. Het belangrijkste motief voor Jan van der Linden om als één der leiders van de rebelse abten op te treden, was de tenuitvoerlegging van de beslissing tot incorporatie van een tiental abdijen bij de bisschoppelijke tafels in het raam van de kerkelijke reorganisatie van 1559. De bisschoppen zouden van de hen toegewezen abdijen tevens abt zijn en zich zodoende uit de opbrengsten van de betrokken abdij kunnen voorzien van een royaal inkomen. Als abten zouden zij bovendien plaats nemen in de provinciale statenvergaderingen. [2]

Na de Oranjepartij en de staatse regering te Brussel volop gesteund te hebben, stelde hij tijdens de zogenaamde Keulse Vredehandel (1579), die op initiatief van de Keizer tussen de opstandige Staten-Generaal en het koninklijke regime doorgang vond, zijn onderwerping aan de koning in het vooruitzicht. De abt van Sint Geertrui behoorde tot het staatse gezantschap dat van mei tot december 1579 te Keulen met de koninklijke delegatie onder de leiding van de Siciliaanse edelman Carlo dAragona, hertog van Terranova, [3] onderhandelde. Ten overstaan van Terranova verbond hij er zich in de zomer in het geheim toe niet naar het rebelse kamp te zullen terugkeren, zo de vredehandel zou mislukken. Zodoende was Van der Linden voldoende op tijd, om eventueel zijn overgang naar het koninklijke kamp te kunnen verzilveren. Van zijn kant ging Terranova toen met Van der Linden de verbintenis aan, de continuering van zijn wederrechtelijke benoeming tot staatsraad naast aartshertog Mathias van Oostenrijk [4] te bevorderen ingeval van onderwerping aan Philips II. [5] Bij het reconciliatie-verdrag van Atrecht (17 mei 1579) en bij het ophelderings-verdrag van Bergen in Henegouwen (13 september 1579) hadden de Waalse provincies (Gallicant Vlaanderen, Artesië, Henegouwen en Valencijn) namelijk in ruil voor hun verzoening met koning Philips II onder meer verkregen, dat acht van de twaalf leden in de hervormde Raad van State naast de wettelijke landvoogd steeds aanhangers zouden zijn geweest van de opstandige Staten. [6] Ondanks de persoonlijke beloften van of namens de koning aan vele andere gegadigden [7] werd Van der Linden door Philips II op 30 november 1579 voorlopig en onder voorbehoud van definitieve verzoening uitverkoren tot een van de acht staatsraden die de Staten welgevallig zouden zijn. [8] Vrijwel op datzelfde moment vroeg hij samen met enige andere staatse onderhandelaren officieel zijn verzoening met de koning aan. Bijna drie maanden later werd zijn verzoek ingewilligd en werd hem pardon verleend. [9]

Ingevolge de verdaging van Parmas inhuldiging als landvoogd en wegens de gezamenlijke Waalse weerstand tegen de van koningswege voorgenomen samenstelling van de nieuwe Raad van State werd echter ook de installatie ervan steeds weer uitgesteld. Toen zij eindelijk in het begin van mei 1580 te Bergen [10] zouden doorgaan, bleken de Staten van Artesië en van Henegouwen en voornamelijk de Artesische geestelijke stand tegen Van der Linden verdenkingen van ketterse sympathieën aan te voeren, om zijn aanstelling te wraken. [11] Tijdens hun onderhandelingen met Parma was hij trouwens nooit door de Staten voorgedragen. Alleen de Keulse toezeggingen van de koninklijke onderhandelaar Terranova verhinderden evenwel dat hij van de lijst zou worden afgevoerd, hoewel het verzet tegen zijn installatie de koning eigenlijk goed uitkwam. Van der Linden stond immers ook aan het hof in Spanje slecht aangeschreven. [12]

Aangezien het ernaar uitzag dat het Waalse verzet tegen de abt van Sint Geertrui niet zou aflaten, zat er voor Philips II en voor Parma weinig anders op dan te pogen hem op een zijspoor te rangeren, zonder de indruk van woordbreuk te wekken; hij moest wel tot het inzicht worden gebracht, dat niet de koning of de landvoogd, maar de Waalse Staten er de schuld van droegen. Eventueel zou dan als een doekje voor het bloeden naar een andere beloning voor zijn terugkeer tot gehoorzaamheid aan de vorst worden uitgekeken. [13]

Gelukkig zat prelaat Van der Linden toen zelf niet meer te dringen om in de Raad van State zitting te nemen. De naïeve verwachting, dat de opstandige kernprovincies (Brabant, Holland, Mechelen, Vlaanderen en Zeeland) de politieke verzoeningsvoorwaarden geboden bij de verzoeningsverdragen binnen een termijn van drie maanden zouden aannemen, ging inmiddels over. De belangrijke voorwaarde van de terugtrekking der buitenlandse troepen bleef bij gebrek aan geld zonder tenuitvoerlegging. De beide verdragen verloren er feitelijk alle betekenis door. Ondanks royale toezeggingen en pardonbrief bleef de abt van Sint Geertrui – zoals talrijke anderen – alsnog de kat uit de boom kijken of verzon hij ontwijkende smoezen. Hij stelde de definitieve stap voortdurend uit, tegelijk om zijn persoonlijke verlanglijst nog meer kracht bij te zetten. [14] Het was er de koninklijke regering om te doen zoveel mogelijk vooraanstaande rebellen met allerlei gunsten en voorrechten aan te trekken en met de nodige bombarie tot onderwerping over te halen als toonbeeld van goede wil. Dergelijk gemarchandeer was volgens de toenmalige politieke moraal aanvaardbaar. [15]

Heimelijk hoopte ook de prins van Parma, dat Jan van der Linden uiteindelijk zou bedanken voor de Raad van State. Voor landvoogd Parma, die de abt eveneens liever kwijt dan rijk was, zou het een welgekomen gelegenheid zijn geweest het laatste zitje in het college te vergeven aan Jean Richardot, waarvan hij sinds kort de politieke vaardigheden en juridische bekwaamheid had leren waarderen. [16] De speculatieve berekeningen mislukten evenwel aan beide zijden, omdat de abt van Sint Geertrui eindelijk rond 1 juli 1581 in alle stilte te Bergen in handen van de landvoogd de eed van staatsraad kwam afleggen. De Staten van Artesië reageerden niet meer. [17]

Lange tijd zou abt Van der Linden zijn zetel in de Raad van State nochtans niet bezetten. Hij beweerde door jicht geplaagd frequente bedlegerigheid in de abdij te Leuven. [18] In het begin. van september 1581 verzocht de prelaat de koning ontslagen te worden als raadsheer van State “… tant travaillé des goustes que la pluspart de lannee doibt tenir le lict, la reste sy debile que luy est impossible de Louvain visiter le conseil et moings suivre la court …” [zodanig geplaagd door jicht dat hij het grootste deel van het jaar het bed moet houden; de rest van het jaar is hij zo zwak dat het hem onmogelijk is vanuit Leuven de raad te bezoeken en nog minder het hof op verplaatsing te volgen]. [19] Zijn ontslagverzoek werd ingewilligd met behoud van titel en salaris. [20] De regering telde een lastpost minder.

Behorend tot een Leuvense patriciërs‑ en magistratenfamilie, was Jan van der Linden ingetreden in Sint Geertrui, abdij van reguliere kanunniken van Sint Augustinus te Leuven. In 1559 werd hij er tot prior en in 1569 tot abt verkozen, waarna de vorstelijke presentatio (nominatie) en de kerkrechtelijke confirmatio volgden. Als prelaat van Sint Geertrui-abdij zetelde hij in de Staten van Brabant als een van de vertegenwoordigers van de geestelijke stand. Hij liet er zich onmiddellijk opmerken als één der meest oranjegezinde elementen. Hij schijnt eveneens betrokken geweest te zijn bij het bekende complot tegen de Raad van State (4 september 1576), die sinds het onverwachte overlijden van landvoogd Don Lluis de Requeséns (5 maart 1575) de regering waarnam. Door zijn afvaardiging vanwege de Brabantse geestelijke stand naar de Staten‑Generaal die op het einde van september wederrechtelijk werd samengeroepen, kwam Sint Geertrui volop in de publieke belangstelling te staan. In zijn anti‑Spaanse gedrevenheid werkte hij met bijzondere ijver aan de totstandkoming van een akkoord tussen de Staten-Generaal en Oranje dat zou uitmonden in de Pacificatie van Gent (8 november 1576). Met de Zwijger onderhield Van der Linden overigens lange tijd goede persoonlijke betrekkingen en hij deelde en verdedigde diens gedachtegoed over de gewetensvrijheid. Zodoende stond hij te Brussel op de lijst van de “goede patriotten” in de Staten-Generaal. [21] Onder sterke druk van Willem van Oranje werd hij op 29 december 1577 dan ook verkozen tot lid van de staatse Raad van State naast Mathias van Oostenrijk. [22]

Als de Staten‑Generaal op aansturen van de Waalse katholieke adel in 1578 met Franois dAlenon, hertog van Anjou en broer van de Franse koning Hendrik III, in onderhandeling traden, stelde de abt van Sint Geertrui zich voor deze besprekingen ter beschikking, maar dan om het standpunt van Oranje te verdedigen. Met de titel Défenseur de la liberté belgique contre la tyrannie des Espagnols et de leurs adhérants [verdediger van de Nederlandse vrijheid tegen de dwingelandij van de Spanjaarden en hun aanhangers] en overeenkomstige vage bevoegdheden die Anjou op 13 augustus werden toegekend, werd de Franse hertog toen in feite geneutraliseerd. Door de geheime belofte niets tegen de gereformeerde belijdenis te ondernemen, werd Anjou in plaats van voor de katholieke kar voor de wagen van Oranje gespannen. [23]

De niet‑loyale toepassing van de religievrede groeide toen vooral in de Vlaamse en Brabantse steden uit tot een ware katholiekenvervolging. [24] Dat had de abt van Sint Geertrui niet bedoeld, toen hij zelf voor gewetensvrijheid in de bres gesprongen was. [25] Zoals bij andere vooraanstaande katholieken die in de Opstand een rol speelden, moet onder andere dát ook zijn plotselinge ommezwaai verklaren tijdens de Keulse vredesconferentie van 1579. [26] Onder invloed van koninklijk gezant Terranova ging de abt van Sint Geertrui zich daarna te Keulen heimelijk bezighouden met te stoken tegen Oranje en degenen die de opstand tegen de koning voortzetten. Uiteraard zonder zijn naam bekend te maken, maakte hij uit het Frans een Nederlandse vertaling van een naamloos vredespleidooi ter attentie van de Staten-Generaal, dat in feite een lange aanklacht was tegen Oranje en dat als pamflet verspreid werd. Naar het schijnt, zou Van der Linden zelf de auteur van de Franse versie kunnen zijn geweest. [27] Zelfs zou de prelaat uit de handen van Terranova geld aangenomen hebben om tegen de Zwijger een moorddadige aanslag op te zetten.

Achter het ontslag van Van der Linden als staatsraad in de wettelijke regering naast de prins van Parma stak mogelijk meer dan alleen zijn krakkemikkige gezondheid. De kwestie van de geïncorporeerde abdijen was hem nog immer een doorn in het oog gebleven. In de sinds kort eveneens gereconcilieerde stad s Hertogenbosch, waar hij zich sinds juli 1580 tot zijn overkomst naar Bergen een jaar later had opgehouden, had de prelaat van Sint Geertrui tegen de bisschop en voor de ontkoppeling van bisschoppelijke tafel en abdij van Tongerlo geïntrigeerd. [28] Na zijn ontslag uit de Raad van State in september 1581 weerhield zijn gezondheidstoestand er hem niet van, te s Hertogenbosch opnieuw te gaan stokebranden, zodat Parma hem daarvoor tot de orde diende te roepen. Sint Geertrui zou er in die tijd zelfs in betrekking gestaan hebben met de hertog van Anjou, die inmiddels in Antwerpen zijn intrede had gedaan als nieuwe seigneur des Pa ïs Bas, in feite alleen van de opstandige provincies . Vermoedelijk werd de abt daarna naar Namen gelokt waar stadhouder Floris van Berlaymont [29] hem in opdracht van gouverneur‑generaal Parma onder huisarrest hield. [30] Hierdoor verdween Jan van der Linden voorgoed van het politieke toneel. Hij overleed te Leuven op 28 januari 1585.

Hugo de Schepper

HdS. , Kol. Rdn., 159-162.


[1] W. Mets, De abten van St. Geertrui en Maroilles en de Opstand tegen Spanje 1576‑1583 (onuitgeg. proefschrift; Leuven 1943) passim; C. Piot, art. Linden (Jean vander), in Biographie Nationale XII (Brussel 1892-1893) 217‑221; E. Valvekens, De Zuid‑Nederlandsche Norbertijner abdijen en de Opstand tegen Spanje, maart 1576-1585 (Uitg. Université Catholique de Louvain. Recueil de travaux dHistoire et Philologie, 2 de reeks; Leuven 1929) passim.

[2] M. Dierickx, Het begin van de Katholieke Reformatie, in J.A. van Houtte e.a. (eds), Algemene Geschiedenis der Nederlanden IV (Utrecht/Antwerpen 1952) 353.

[3] M. Aymard, Une famille de laristocratie sicilienne aux XVIe et XVIIe siècles: les ducs de Terranova. Un bel exemple dascension seigneuriale, Revue Historique nr 501 (1972) 29-66.

[4] Mathias was in het najaar van 1577 door de Staten-Generaal tot gouverneur-generaal namens de koning aangesteld.

[5] Terranova aan Philips II, Keulen 26 en 27 juni 1579 (J. Lefèvre, Correspondance de Philippe II dEspagne sur les affaires des Pays-Bas, 1577-1598 dl I: 1577-1580 , Brussel 1940, 613-616); kardinaal van Granvelle aan zijn vicaris Morillon, 20 juni 1581 ( C. Piot, Correspondance du Cardinal de Granvelle, 1565-1583 VIII, Brussel 1889, 344); L. van der Essen, Alexandre Farnèse, prince de Parme, gouverneur-général des Pays-Bas, 1545-1592 II (Brussel 1934) 269.

[6] H. de Schepper, Hervorming van de Kollaterale Raden als voorwaarde tot de Waalse Reconciliatie in 1578/79, Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden XX (1965) 1-25.

[7] Granvelle aan Philips II, 19 nov. 1579 (Piot, Corr. Granvelle XII, Brussel 1889, 548-549).

[8] Apostil van Philips II, [30] nov. 1579, op brief van Granvelle aan Philips II, 27 nov. 1579 (Piot, Corr. Granvelle XII, 556-560); Philips II aan Alexander Farnese, prins van Parma en landvoogd in de Nederlanden, 30 nov. 1579 (Algemeen Rijksarchief Brussel [hierna ARB.], Audiëntie [hierna Aud. ], nr 1191/23, z.f.).

[9] Verklaring van abten van Sint Geertrui en van Maroilles, voormalig thesaurier-generaal Gaspar Schetz en Bucho van Aytta, neef van Viglius, Keulen 2 dec. 1579 (Archivo General de Simancas [hierna AGS.], Secretaría de Estado. Negocios extraordinarios de la parte del Norte , legajo 2845, folleto 12); pauselijk legaat Gastagna aan kardinaal Como, Bonn, 3 dec. 1579 (J. Hansen, Nuntiaturberichte aus Deutschland nebst ergänzenden Aktenstücken , 3de afd.: 1572-1585 dl II: Der Reichstag zu Regensburg, 1576. Der Pacifikationstag zu Köln, 1579. Der Reichstag zu Augsburg, 1582 , Berlijn 1894, 365); akte van pardon voor de abt van Sint Geertrui, 22 feb. 1580 (ARB., Aud., nr 584, f. 250).

[10] Aangezien Brabant de Unie van Utrecht steunde, werd de zetel van de wettelijke regering vanuit Namen naar de stad Bergen overgebracht, ten einde het heft van de tijdelijke Waalse Statenregering over te nemen.

[11] Resolutie van de Staten van Artesië, 9 mei 1580 (ARB., Aud., nr 584, f. 453); id. van Staten van Henegouwen, [begin] mei 1580 ( ibid., f. 458); geestelijke stand van Artesië aan Parma, 9 mei 1580 ( ibid. , f. 451); Parma aan Philips II, 9 mei 1580 (AGS., Secretaría de Estado. Negociaciones de Flandes [hierna Estado – Flandes ] , legajo 582, folleto 122); id., 4 juni 1580 ( ibid., folleto 107); Ch. Hirschauer, Les États dArtois de leurs origines à loccupation franaise 1340-1640 II (Parijs/Brussel 1923) 77; L. Devillers, Participation des États de Hainaut aux assemblées des États Généraux des Pays-Bas, 1438-1790, Bulletin de la commission royale dhistoire LXXIV (1905) 124.

[12] Philips II aan Parma, 18 mei 1580 (ARB., Aud., nr 176, f. 189); id., 17 juni 1580 (AGS., Secretaría de Estado. Negociaciones de Flandes y Holanda [hierna Estado Flandes y Holanda ] , legajo 2216, folleto 66); Granvelle aan Christoffel d Assonleville [zie https://dutchrevolt.leidenuniv.nl/personen/a/assonleville.htm ], 6 juli 1580 (Piot, Corr. Granvelle VIII, 102-104); id. aan vicaris Morillon, 6 juli 1580 ( ibid ., 98); F. Strada, Histoire de la guerre des Païs-Bas III (Brussel 1727) 221.

[13] Philips II aan Parma, 7 juni 1580 (AGS., Estado Flandes y Holanda , legajo 2216, folleto 66); id., 15 aug. 1580 ( ibid., folleto 70); Parma aan Philips II, 1 juli 1580 (AGS., Estado Flandes , legajo 582, folleto 101).

[14] Parma aan Philips II, 2 juli 1580 (ARB., Aud. , nr 185, f. 122v-123); id., 3 juli 1580 (AGS., Secretarías Provinciales. Consejo Supremo de Flandes y Borgoña [hierna Secr. Prov. Flandes ], legajo 2604, z.f.); id., 13 mrt 1581 (ARB., Aud ., nr 186, f. 44v); id., 17 apr. 1581 (J. Lefèvre, Corr. Philippe II dl II: 1580-1584 , Brussel 1953, 153).

[15] H.G. Koenigsberger, Patronage and Bribery during the Reign of Charles V, Standen en Landen XXII (1961) 168.

[16] Parma aan Philips II, 13 jan. 1581 (AGS., Estado Flandes, legajo 584, folleto 22).

[17] Id., 7 juli 1581 (AGS., Estado Flandes, legajo 584, folleto 58); zittingen van de Artesische Staten, juni-juli 1581 (Hirschauer, o.c . II, 79).

[18] Parma aan Philips II, 7 juli 1581 (ARB ., Aud., nr 185, f. 155v).

[19] Rekest aan Philips II, z.f. [begin sept.1581] ( ibid. , nr 177, f. 137); Philips II aan Parma, 27 sept. 1581 ( ibid. , f. 135‑136).

[20] Salarissen, 1583 en 1584 (Archives Départementales du Nord. Rijsel, Chambre des Comptes. Recette Générales des Finances , nr B2682, f. 142v-143; nr B 2688, f. 180v‑181).

[21] Lijst van “goede patriotten” in de Staten‑Generaal te Brussel, z.d. [okt. 1577?] (L.P. Gachard, Actes des États Généraux, 1576‑1585 I, Brussel 1861, 261).

[22] Apostillen van de Staten‑Generaal op het advies van Oranje, Brussel 21 dec. 1577 (N. Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal van 1576-1609 I, Den Haag 1915, 310 en 533‑34); nieuwe resolutie van de Staten‑Generaal , 29 dec. 1577 ( ibid. , 153 en 534‑35); J.C.H. de Pater, De Raad van State nevens Matthias, 1578-1581 (Den Haag 1917) 41‑45.

[23] F. Duquenne, Lentreprise du duc dAnjou aux Pays-Bas de 1580 à 1584. Les responsabilitès dun échec à partager (Parijs 1998) 15-16.

[24] J. Decavele, Gent, het Genève van Vlaanderen, in Id. (ed.), Het eind van een rebelse droom (Gent 1984) 32-62; G. Marnef, Het Calvinistisch Bewind in Mechelen 1580-1585 (Heule 1987) 227-278; id., Brabants calvinisme in opmars: de weg naar de calvinistische republieken te Antwerpen, Brussel en Mechelen, Bijdragen tot de Geschiedenis LXX (1987) 7-21; J.J. Woltjer, ‘De plaats van de calvinisten in de Nederlandse samenleving’, De Zeventiende Eeuw. Cultuur in de Nederlanden in interdisciplinair perspectief X (1994) 3-28 (i.h.b. 17); J. Andriessen, ‘De Katholieken te Antwerpen 1577-1585’, Bijdragen tot de Geschiedenis 70 (1987) 61-77.

[25] Willem van Oranje aan de abt van Sint Geertrui, 20 juni 1579 (L.P. Gachard, Correspondance de Guillaume le Taciturne, prince dOrange IV, Brussel 1854, 157‑161; C. Mercier, Les théories politiques des Calvinistes dans les Pays-Bas à la fin du XVIme siècle et au début du XVIIme siècle, Revue dHistoire Ecclésiastique XXIX (1933) 42‑43.

[26] T. Wittman, Les gueux dans les bonnes villes de Flandre, 1577-1584 (Uitg. Académiai Kiadó; Boedapest 1969) 323.

[27] P.A.M. Geurts, De Nederlandse Opstand in de pamfletten, 1566-1584 (Utrecht 1983) 98‑99 .

[28] Parma aan Philips II, 1 juli 1580 (AGS., Estado – Flandes , legajo 582, folleto 101); id., 3 juli 1580 (AGS., Secr. Prov. Flandes , legajo 2604, z.f.); id., 7 okt. 1580 (ARB., Aud. , nr 185, f. 205); id.,13 jan. 1581 (AGS., Estado – Flandes , leg. 584, f. 22).

[29] Floris, graaf van Berlaymont (1626), stadhouder van de provincie Namen, later adellijk lid van de Raad van State.

[30] Pama aan Philips II, 7 aug. 1582 (AGS., Estado – Flandes, legajo 585, folleto 47); Floris van Berlaymont aan Parma, 31 dec. 1583 (J. Lefevre, Corr. Philippe II II, 438).