Reyd (Reydanus), Everhard van

Deventer, 1550 – Leeuwarden, 15 februari 1602

Portret van Van Reyd uit de editie van zijn geschiedwerk van 1626.

Van Reyd kreeg een klassieke opleiding en was enige tijd als student ingeschreven te Heidelberg (1569). Na een korte periode van ballingschap was hij in 1570 in zijn geboorteplaats Deventer terug. Hij vertrok opnieuw naar het buitenland. In 1578 werd hij secretaris van graaf Jan van Nassau tijdens diens stadhouderschap van Gelderland, leengriffier en burgemeester van Arnhem. Vijf jaar later vervulde hij een zending naar Dillenburg en daarna trad hij in dienst van Willem Lodewijk, stadhouder van Friesland. Hij was voordien ook enige jaren gecommitteerde van Gelderland ter Staten-Generaal.

[titelpagina editie 1626]

1. Voornaemste gheschiedenissen in de Nederlanden ende elders. Vanden jare 1566 totten iare 1583, in ‘tkorte, ende van dien tijdt tot het iaer 1601 in ‘t langhe (als hebbende vele secreten ende ghewichtige saken selfs byghewoont) die andere histori-schryvers door onwetenheyt hebben moeten voor-by gaen, ofte door quaet bericht onrecht stellen. Arnhem 1626 [734 pp.; 4] ( Register van de figuren ), 1633 [f], 1644.

2. Oorspronck ende voortganck vande Nederlantsche oorloghen. Ofte, waerachtighe historie vande voornaemste geschiedenissen, inde Nederlanden ende elders, voorgevallen, zedert den jare 1566 tot het jaer 1601, verdeylt in achthien boecken.Arnhem 1633.
Dit is een herdruk van 1, met gewijzigde titel.

3. Belgarum, aliarumque gentium, annales. Lugduni Batavorum 1633. Vertaling van nr. 2 door Dionysius Vossius.

4. Oorspronck ende voortganck vande Nederlantsche oorloghen. Ofte, waerachtighe historie vande voornaemste geschiedenissen, inde Nederlanden ende elders, voorgevallen, zedert den jare 1566 tot het jaer 1601, verdeylt in achthien boecken.Amsterdam 1644.
Heruitgave van 2, gevolgd door: II. deel van de oorspronck en voortgangh der Nederlantsche oorlogen. Ofte waerachtige historie van de voornaemste geschiedenissen in de Nederlanden ende elders voorgevallen, zedert den jare 1601 daer het Everard Reyd salig. gelaten heeft, tot het jaer 1644 incluys, verdeylt in 13 boecken, noyt voor desen gedruckt. Amsterdam 1644 [158 pp. aparte paginering; f]

5. Historie der Nederlantscher oorlogen begin ende voortganck tot den jaere 1601. Daer bij gevoegt de Nederlandsche geschiedenissen dienende voor continuatie tot de doodt van sijn excellentie graef Henrick Casimier van Nassauw stadt-houder van Vries-landt stadt Groeningen, Omlanden, ende Drint, 1640, door Johan van Sande. Leeuwarden 1650.

Het vervolg van Van den Sande is getiteld: Nederlandtsche historie … dienende voor continuatie vande historie van wijll. Everhard van Reyd’, tot de doodt van sijn excellentie graef Hendrick Casimier van Nassauw stadthouder van Vrieslandt, stadt Groningen Omlanden ende Drenth. 1641. Van den Sande had samen met zijn broer Frederik het werk van hun oom Van Reyd uitgegeven. Boek 15 is vanaf p. 209 door de drukker Gijsbert Sijbes voltooid. Dit vervolg bevat een geheel andere tekst dan het II. deel van de oorspronck en voortgangh der Nederlantsche oorlogen van 1644, dat niet van Van de Sande lijkt te zijn.

Literatuur

A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden XVI (Haarlem, 1874) 179-180

Nieuw Ne de rlandsch Biografisch Woord en boek V (Leid en , 1911) 594-595(A.W.Sijthoff) S. de Wind, Bibliotheek van Nederlandsche geschiedschrijvers, 287-290

Haitsma Mulier/Van der Lem, nr. 396

A.E.M. Janssen, `A “trias politica” on the revolt of the Netherlands: Emanuel van Meteren, Pieter Bor and Everhard van Reyd as exponents of contemporary historiography’, in: A.C. Duke, C.A. Tamse, ed., Clio’s mirror. Historiography in Britain and the Netherlands. Britain and the Netherlands, VIII, Papers delivered to the eight Anglo-Dutch historical conference (Zutphen, 1985) 9-30.

E.H. Waterbolk, `Everard van Reyd (1550-1602), geschiedschrijver en militair adviseur’, in: P.A.M. Geurts, A.E.M. Janssen, ed., Geschiedschrijving in Nederland. Studies over de historiografie van de Nieuwe Tijd (2 dln., ‘s-Gravenhage, 1981) I, 41-62