Michiel Adriaenszoon de Ruyter

Weinig vaderlandse helden spreken zo tot de verbeelding als Michiel de Ruyter. Van bootsjongen klom hij op tot admiraal, hij weerstond of versloeg de Engelsen in drie bloedige oorlogen en hij behoedde in het Rampjaar 1672 het vaderland voor de ondergang. Bij dat alles bleef hij een gewoon mens, die nogal eens last had van bevende handen, wat hij aan het eten van bedorven vis weet. Hij was geliefd bij zijn bemanning, die hem `Bestevaer’ noemde. Zelf gaf hij alle eer aan God. Al diende de admiraliteit hem wel goede schepen te geven.

Selfmade man

Het was halverwege de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) dat in Vlissingen in 1607 Michiel Adriaenszoon werd geboren, zoon van een bierdrager. Hij was als kind haantje de voorste, niet op school, maar in straatgevechten, als aanvoerder van zijn maten. Ook klom hij een keer op de toren van de Sint-Jacobskerk in Vlissingen en kon hij alleen met halsbrekende toeren weer naar beneden komen. Is dit geen voer voor biografen? Laat dit niet al duidelijk zien dat hij voorbestemd was om ook in oorlogstijd een aanvoerder van zijn mannen te worden en tot grote hoogte te stijgen? Ongetwijfeld ligt een deel van de aantrekkelijkheid van De Ruyters leven in het feit dat hij een selfmade man was. Kon Napoleon later zeggen dat elke soldaat een maarschalksstaf in zijn ransel had, in Nederland kon elke scheepsjongen het in principe tot admiraal brengen. Mits hij zich in de praktijk bewees. En een man van de praktijk is Michiel de Ruyter altijd geweest.
Omdat het op school niets met hem leek te worden, begon hij te werken in de touwslagerij van de gebroeders Lampsins in Vlissingen. De blauwgeruite kiel heeft een negentiende-eeuwse dichter erbij verzonnen. En of hij werkelijk gedraaid heeft aan het grote wiel dat nu nog in het museum in Vlissingen wordt getoond? Op elfjarige leeftijd maakte hij zijn eerste zeereis. Met vijftien diende hij enkele jaren in het leger en hielp hij bij de verdediging van Bergen op Zoom tegen de Spanjaarden (1622). De stad hield zich vroom en zo ook Michiel Adriaenszoon. Daarna was het weer de zee die hem trok. Let wel: niet om te gaan vechten. Hij legde zich toe op de overzeese handel. Zijn eerste bewaardgebleven scheepsjournaal dateert van 1633 en toont hem dan met zijn volledige naam: Michiel Adriaenszoon de Ruyter. Door zijn zuinigheid en zijn in jaren opgebouwde ervaring, ook in het handeldrijven voor eigen rekening, wist hij een aardig kapitaal op te bouwen. Hij voer als walvisvaarder op Jan Mayen-eiland. Maar hij was er niet afkerig van om ook als kaperkapitein erop uit te trekken om de vijand afbreuk te doen. Die vijand was de koning van Spanje, die de Republiek vanuit zijn koninklijke of Zuidelijke Nederlanden bestookte. Dat gebeurde onder andere uit het toen nog (Zuid-)Nederlandse Duinkerken, een berucht kapersnest. Een echte oorlogsvloot kende de Republiek tijdens de Tachtigjarige Oorlog nog niet; als er oorlogsschepen moesten worden uitgerust, dan nam men gewone handelsschepen, die van extra kannonnen werden voorzien. Eén keer nam De Ruyter deel aan een zeetocht tegen de Spanjaarden. Als schout-bij-nacht voerde hij het bevel over de middentocht van een gecombineerd Nederlands-Portugese vloot op 4 november 1641 bij Cadiz. Hoewel de opperbevelhebber heel wat te klagen had over deze slag, kwam in zijn rapport De Ruyter er zonder meer positief vanaf. Maar hij was nadrukkelijk slechts voor één keer meegeweest. Met het zo verdiende geld kon hij een jaar later voor eigen rekening een schip uitreden en maakte hij reizen naar de Caraïbische eilanden (“Crybysche Heylanden”, zoals hij zelf schreef) en naar de Westkust van Marokko. Liep de handel in Marokko wat traag, bijvoorbeeld wanneer de joodse tussenhandelaren hun Pasen vierden, dan mopperde De Ruyter over die feestdagen. Was het christelijk Pasen of Pinksteren, De Ruyter liet zíjn handel doorgaan, vroom of niet. Ook het verbod op wapenleveranties negeerde hij. Iedereen deed dit immers. Bij gelegenheid veroverde hij een Duinkerker kaper, of – nog beter – verschalkte hij een Portugees suikerschip. Met 45 was hij binnen, vestigde hij zich aan de wal en kon hij zich wijden aan de dingen die zijn hart hadden.

De Eerste Engelse Oorlog

Dat hart bleek toch op zee te liggen. En een verzoek om zijn diensten het land aan te bieden, ging uit van de admiraliteit van Zeeland, zijn provincie. Zoals de Republiek bestond uit zeven provinciën – Zeven Provinciën zou later de naam van De Ruyters vlaggeschip zijn – zo was ook de marine verdeeld over verschillende departementen of admiraliteiten, die alle soeverein waren. Zeeland en Friesland hadden ieder een eigen admiraliteit. Holland had er zelfs drie: de oudste van Rotterdam, de belangrijkste van Amsterdam en bovendien die van het Noorderkwartier (Hoorn en Enkhuizen). Een vloot uitreden en leiden was doorgaans een organisatorisch probleem omdat men aangewezen was op de medewerking van vijf verschillende organisaties, elk met zijn eigen problemen en onderlinge naijver. Na de geldverslindende Tachtigjarige Oorlog was menig schip uit de vaart gehaald om te bezuinigen. Dat brak de Republiek zuur op toen de Engelse rivaliteit zich in de jaren vijftig verscherpte en Engeland in 1652 de Republiek de oorlog verklaarde. Toen onder een Rotterdamse opperbevelhebber twee onderbevelhebbers uit andere admiraliteiten benoemd moesten worden, vroegen de Zeeuwen aan De Ruyter die taak op zich te nemen. De Ruyter nam aan, voor één zeetocht, `met groote tegenheit en bekommernisse’. Al gauw constateerde hij dat het ontbrak aan voldoende deskundigheid en motivatie onder het personeel. De Eerste Engelse Oorlog is over het algemeen voor de Republiek desastreus verlopen. Maarten Harpertszoon Tromp delfde het onderspit tegen de Engelse admiraal Blake. Onder Witte de With kozen in de volgende zeeslag maar liefst dertien Nederlandse kapiteins het hazenpad. Toen dan Ruyter in diens eerste gevecht – bij Plymouth – de Engelsen opzocht en op de vlucht wist te drijven, was dat in het vaderland een geweldige opsteker. Zijn naam was gemaakt. Dat wil niet zeggen dat De Ruyter daardoor aan het hoofd van de vloot werd geplaatst. Evenals nu werden de verhoudingen binnen de marine vertroebeld door het anciënniteitsbeginsel: wie de meeste dienstjaren had, had voorrang. De Driedaagse Zeeslag – bij Portland, van 28 februari tot 2 maart 1653 – was een dubbeltje op zijn kant. Had de strijd een half uur langer geduurd, dan zouden de Nederlandse schepen door hun munitie heen zijn geweest. Maar ze hadden zich duchtig geweerd en de slag werd in het vaderland als een `roemrijke nederlaag’ beoordeeld. De Ruyter werd om zijn dapperheid door dichters geprezen als een `kloekmoedige zeeleeuw’. Een klein half jaar later veroorzaakten een echt gebrek aan munitie en de ongeoefendheid van de manschappen chaos en daardoor een nederlaag in de zeeslag bij Nieuwpoort (12 juni 1653). De vlootvoogden hadden genoeg reden zich ernstig bij de Staten-Generaal te beklagen over de slechte uitrusting van de vloot. De bloedigste strijd uit deze oorlog moest toen nog komen: op 10 augustus 1653 had de slag bij Ter Heide plaats. Tromp vond er de heldendood en De Ruyter moest zich tijdelijk terugtrekken. Het enige voordeel was dat de Engelsen hun blokkade van de Nederlands kust moesten opgeven en moegestreden met een vrede instemden.

De schrik van de oceaan

Het was duidelijk dat er iets moest gebeuren aan de wortel van het kwaad: de organisatie van de marine. In de zomer van 1653 kwam er een man aan het bewind die een systematische verbetering zou nastreven van de bouw en organisatie van de vloot: Jan de Witt. Als raadpensionaris van Holland fungeerde hij als een soort minister-president, minister van buitenlandse zaken en van marine ineen. Hij zorgde voor geld, voor nieuwe schepen, voor een goedlopende machinerie in de admiraliteitssteden en Den Haag. En De Ruyter was een man naar zijn hart. Doortastend zonder roekeloos te zijn, afwachtend maar zonder aarzelingen, bleek De Ruyter degene die je zoiets kostbaars als een oorlogsmarine kon toevertrouwen. Belegerden de Zweden het Deense Kopenhagen en dreigde zo het evenwicht in het Oostzeegebied verloren te gaan? Dan vroeg het belang van de Nederlandse graanhandel om een fors ingrijpen van de Republiek. De Ruyter heeft niet alleen met zijn vlootbewegingen, maar ook met zijn landing op Funen en door zijn proviandering van de belegerde Deense hoofdstad de Zweden weten te verdrijven en daardoor het evenwicht in de Sont hersteld. Dat hij dat kon doen, dankte hij mede aan de voortreffelijke staat van zijn vloot. De Deense koning maakte hem hertog, gaf hem een jaargeld en een ridderorde en liet hem het koninklijk rariteitenkabinet zien. Het enige wat daarin de admiraal kon boeien was… en exact nagebouwd miniatuurscheepje van ivoor.
Toen in 1664 de Engelsen zich meester maakten van de Nederlandse bezittingen in West-Afrika, kruiste De Ruyter in de Middellandse Zee, op jacht naar Algerijnse kapers. In het diepste geheim kreeg hij de opdracht de Nederlandse bezittingen op de Engelsen te heroveren. Door de geheimhouding slaagde deze operatie voortreffelijk. Nog in Afrika ontving De Ruyter het bevel de vijand afbreuk te doen in het Caraïbisch gebied, dat hij al goed kende van zijn handelsreizen. Het verrassingseffect zorgde ook hier voor veel voordeel. Een aanslag op het door de Engelsen veroverde Nieuw-Nederland – het gebied om New York – moest als onrealistisch opzij worden geschoven. Met roem en buit beladen keerde De Ruyters vloot om de Britse eilanden heen, in de Noordzee terug. De in patria retournerende handelsschepen lagen in het Noorse Bergen op de begeleiding van De Ruyter te wachten om veilig het vaderland te kunnen bereiken. Begunstigd door een dichte mist wist deze de Engelse vloot te verschalken en begin augustus 1665 ongedeerd de haven van Delfzijl binnen te vallen. De jubelstemming was onvoorstelbaar. Nooit heeft Delfzijl meer in de belangstelling van het vaderland gestaan dan in dit bange jaar van de Tweede Engelse Oorlog, waarin bij De Ruyters afwezigheid de Nederlanders bij Lowestoft van de Engelsen hadden verloren. Wassenaer van Obdam was er de lucht ingevlogen, zijn onderbevelhebber was er gesneuveld. De terugkeer van De Ruyter gaf nieuwe moed en duizenden Nederlanders trokken naar Delfzijl om de vloot en de admiraal te zien en te bewonderen.

Geen strategie zonder organisatie

In de eerste jaren van De Witts bewind liepen zestig grote oorlogsschepen van stapel. De Ruyter smeedde de vloot tot een geheel, in direct en continu overleg met De Witt. Meestal schriftelijk, maar heel vaak in persoon. Op advies van De Witt liet De Ruyter zijn vloot oefenen in schijn- of spiegelgevechten. Speciale aandacht kreeg het oefenen met seinvlaggen, waarmee bevelen werden gegeven. Vermoedelijk is het een idee van De Ruyter geweest om ook de onderbevelhebbers het recht te geven eigen initiatieven te nemen als de gelegenheid zich daartoe voordeed en deze met vlaggenseinen kenbaar te maken. Toen de vloot in 1666 zee koos, ging De Witt in eigen persoon mee om leiding te geven aan de vlootbewegingen. Aan boord van een licht fregat peilde hij eigenhandig hij de diepte van het “Koningsdiep”, een van de wateren die toegang geven tot de Theems. Een verrassingsaanval en invasie van de vijandelijke kust leek hem een reële optie. Het water bleek voldoende diep om ook met zwaardere schepen en na intensiever voorbereiding een aanval te wagen. Tot die voorbereiding behoorde ook het door De Witt in leven geroepen korps mariniers of zeesoldaten, die bij een invasie aan land gelaten zouden worden.
De Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni 1666) was het langdurigste treffen ooit tussen de Engelse en Nederlandse marine. Tijdens deze slag nam De Ruyter een beslissing die men hem nadien heeft aangerekend: nadat zijn grote steng was afgeschoten, liet hij deze buiten het strijdgewoel herstellen, in plaats van op een ander schip over te gaan. Het kwam hem op kritiek te staan, maar niet van de raadpensionaris. Twee maanden later ontaardde de Tweedaagse Zeeslag (4-5 augustus 1666) voor de Nederlanders in een nederlaag: de voorhoede verloor al bij het eerste treffen haar vlagofficieren, de achterhoede onder Tromp achtervolgde enkele Engelse schepen, waardoor De Ruyter en zijn middentocht het leeuwendeel van de aanval te verduren kregen. Ook de grote admiraal had zijn momenten van mismoedigheid: `Wat komt ons over? Ik wou dat ik dood was’ en: `O God, hoe ben ik zo ongelukkig? Is er nu onder zoveel duizenden kogelen niet één kogel die mij wegneemt?’. Na de nederlaag gaf De Ruyter een deel van de schuld aan Cornelis Tromp. Het kostte nog een oorlog voor de heren elkaar weer verdroegen. De Engelsen buitten hun overwinning uit door een aanslag op Terschelling te doen: het dorp West-Terschelling brandden zij plat, evenals 150 (!) Nederlandse koopvaarders.

Their finest hour

Vuur is een onberekenbaar element. In 1666 legde een enorme brand grote delen van Londen in de as. En bij het afschieten van een kanon aan boord van De Ruyters schip kreeg de admiraal een gloeiend pluisje in de keel. Hij moest er hevig van braken, kreeg de derdedaagse koorts, een soort malaria, waardoor hij weken ziek thuis lag. Dit tot grote verontrusting van Jan de Witt. De Ruyter liep inmiddels tegen de zestig, geen kogel had hem weggenomen en zou een gloeiend pluisje het begin van het einde zijn? De Ruyter zette zich over zijn ziekte heen, om op last van Jan de Witt met de vloot de vijand in het hol van de leeuw op te zoeken. Nu Londen als verdoofd was door de brand, leek het De Witt tijd om zijn gedurfde plan uit te voeren: de vloot diende de Medway, zijrivier van de Theems op te varen, en de daar liggende schepen te verbranden. Jans broer Cornelis de Witt vorr mee op de vloot als afgevaardigde van de Staten-Generaal. Hij was het die de beroemd geworden onderneming tegen Chatham doordreef toen menig scheepskapitein aarzelde. De Ruyter heeft zich door zijn slechte gezondheid van het grootste deel van die actie afzijdig moeten houden. Toen 36 lichtere schepen de rivier opvoeren, bleef De Ruyter aanvankelijk met een hoofdmacht achter om een eventuele vijandelijke tegenaanval uit zee af te slaan. Onder leiding van Jan van Ghent en Cornelis de Witt werden op 22 juni de Royal Charles buitgemaakt, terwijl zes andere grote schepen in de as werden gelegd. Op verzoek van De Witt vervoegde De Ruyter zich toch in persoon bij de actievloot om de onderneming hogerop de Medway voort te zetten. De persoon van De Ruyter moest bemoediging brengen en deed dat ook. De 23ste juni betekende het einde van nog drie trotse Engelse oorlogsschepen: de Royal Charles, de Royal Oak en de Loyal London. Het voormalige vlaggeschip, de Royal Charles, namen de Nederlanders in triomf mee naar het vaderland. De paniek in Engeland was groot, het effect in de Republiek niet minder. De vredesonderhandelingen in Breda liepen daardoor van een leien dakje. De Engelsen mochten Nieuw-Nederland, rondom de stad die zij New-York herdoopten, in hun bezit houden. De Nederlanders hielden als ruil veel liever het door hen veroverde Suriname. Daar viel immers veel suiker vandaan te halen… De Ruyter had echter het grootste deel van de tocht in kooi meegemaakt, zij het dat hij op een belangrijk moment zijn taak naar behoren had verricht. Hij werd vereerd met een schitterende beker, voorstellende de tocht naar Chatham, die nu met andere De Ruyter-relieken nog altijd te bewonderen is in de afdeling Nederlandse geschiedenis van het Rijksmuseum in Amsterdam.

Redder – naast God – in het Rampjaar

De welvaart van de Nederlandse burgerrepubliek had niet alleen de jaloezie gewekt van de Engelse concurrenten, maar ook van de Franse koning Lodewijk XIV. Zeker toen Jan de Witt de koning de voet had weten dwars te zetten in de Zuidelijke Nederlanden, besloot hij tot de ondergang van de Republiek. De Engelse koning en de vorst-bisschoppen van Keulen en Münster zouden hem daarbij helpen. Als grond noemde hij het feit dat de Republiek hem had mishaagd(!). Eenn oorlog te land en ter zee moest de Republiek vernietigen. Die landoorlog kwam tot staan voor de Hollandse Waterlinie, de zeeoorlog stuitte op Bestevaer Michiel. Op 7 juni 1672 vond bij Solebay een bikkelharde strijd tussen beide vloten plaats. Het Engelse vlaggeschip de Royal James ging ten onder, bevelhebber Sandwich verzoop. Een van diens luitenanten werd bij De Ruyter aan boord gebracht en zei tegen hem: `Mijnheer, is dat vechten? Het is nog geen middag, maar er is al meer gedaan dan in 1666 in alle vier de dagen’. En dezelfde man zei over De Ruyter, nadat hij hem in de strijd had gadegeslagen: `Is dat een admiraal? Dat is een admiraal, een kapitein, een stuurman, een matroos en een soldaat. Ja, die man, die Held, is dat alles tegelijk’. Na afloop getuigde De Ruyter dat hij veel zeeslagen had beleefd, maar dat hij nooit in een scherper of langduriger gevecht was geweest. Tot deze ene zeeslag bleef het jaar 1672 beperkt. Wat het jaar echt tot een Rampjaar maakte waren de dramatische gebeurtenissen op het vasteland, waar de bekwame gebroeders De Witt door woedende Hagenaars als vee werden afgeslacht. Juist zij hadden door hun voortdurende inspanningen de successen van De Ruyter mede mogelijk gemaakt. Desgevraagd getuigde De Ruyter van de onkreukbaarheid van Cornelis de Witt, maar daarna geboden de nood van het land en zijn positie dat hij gehoorzaamde aan de nieuwe leiders van de Republiek: prins Willem III en raadpensionaris Fagel.
Op zee zou het jaar 1673 nog heter worden dan het voorgaande. In drie zeeslagen moest De Ruyter de gecombineerd Frans-Engelse vloot van een invasie in Nederland zien te weerhouden. Schooneveld was geen plaats aan land, maar de naam van een zeediepte buiten de Westerschelde, omgeven door zandbanken en door enkele vaargeulen met Schelde en Maas verbonden. Voor degenen die dit water kenden was het een geschikte uitvalsbasis tegen een vijandelijke vloot. Twee zeeslagen zijn naar Schooneveld genoemd. Op 7 juni 1673 bewezen de jarenlange oefeningen hun nut: met uitgekiende manoeuvres wisten de Nederlandse schepen de vijand afbreuk te doen. Tevreden stelde De Ruyter vast: `De vijand heeft nog ontzag voor de Zeven Provinciën’. Een week later was het zelfvertrouwen zo groot dat men het Schooneveld verliet en de vijand opzocht. Toen bleek dat een gecombineerde vloot zoals de Frans-Engelse, dikwijls problemen in het commando en de communicatie met zich brengt. Er ontstond een reeks van tweegevechten waardoor de schepen verwijderd raakten van de Nederlandse kust en een invasie voorkomen werd.
De zwaarste beproeving moest toen nog komen. Andermaal zouden de Fransen en Engelsen proberen een doorbraak te forceren en een invasieleger van 4000 man trachten over te brengen. Bij Scheveningen bracht de prins een bezoek aan de vloot en de daverende ontvangst die hem werd bereid maakte duidelijk dat het aan het moreel niet schortte (12 augustus). Bij het Kijkduin – vlak onder Den Helder, dus niet het dorpje bij Den Haag – volgde op 21 augustus het adembenemende sluitstuk van de Engelse oorlogen. Hoewel de Fransen voortijdig afhaakten, was de strijd tegen de Engelsen furieus als altijd. Andermaal bleek de geoefendheid van de Nederlandse vlagofficieren toen zij – anders dan de Engelsen – wisten te profiteren van een verandering van de wind. De Ruyter maakte onmiddellijk gebruik van de bij de vijand ontstane verwarring. Volgens een Engelse getuige wisten de Nederlanders ook sneller hun kannonnen af te vuren (wat de Nederlanders volgens sommige marinemensen nog altijd doen). De strijd gaf geen winnaar te zien, maar het strategisch voordeel was aan de Nederlanders: de Engelsen gaven hun invasieplannen op en sloten in het volgend jaar afzonderlijk vrede. Na afloop van de strijd was er dankbaarheid, maar geen jubel. Te land was de situatie nog veel te gevaarlijk om aan grote eerbewijzen te denken. Pas door het niet minder gedurfde optreden van de prins aan het hoofd van het leger, was het mogelijk in 1678 de vrede met de Fransen te sluiten.

De laatste tocht

De successen tegen de Engelsen waren het gevolg van een volwaardige uitrusting, een toereikende geoefendheid, en vervolgens oordeelkundigheid, inventiviteit en doortastendheid in het gevecht. Het is des te schrijnender dat De Ruyter in wat zijn laatste tocht zou worden een degelijke basisuitrusting moest ontberen. Krachtens een verdrag van wederzijdse bijstand met de Spanjaarden, moest de Republiek de Spaanse vloot in de Middellandse Zee ondersteunen. De Spanjaarden vroegen om De Ruyter, gezien diens ervaring. Het was een veeg teken dat zijn eskader alleen door de admiraliteit van Amsterdam werd uitgevaardigd en De Ruyter beklaagde zich dan ook dat de heren de vlag zo waagden. Hij had er een voorgevoel dat het zijn laatste tocht zou worden. Het schip waarop hij voer, De Eendracht, toonde al weldra gebreken. In het Middellandse Zeegebied waren de Spanjaarden zelf of afwezig, of te laks in de gevechten. Op 8 januari 1676 leverde De Ruyter zonder Spanjaarden strijd tegen de Fransen, waarbij zijn schout-bij-nacht sneuvelde. Een dag later arriveerden de Spanjaarden eindelijk… De Ruyter ergerde zich groen en geel aan de Spaanse nonchalance. Daarom besloot hij in de slag die de laatse zou worden zelf de voorhoede aan te voeren, terwijl de onervaren Spanjaarden het middendeel zouden vormen. Met andere Nederlanders in de achterhoede konden ze er zo niet vandoor gaan. De keuze bleek fataal. Gewikkeld in een fel gevecht met de Fransen raakte De Ruyters smaldeel van de middentocht verwijderd en doordat de Spanjaarden verzuimden aan te sluiten stond De Ruyter alleen in het gevecht dat zich afspeelde in het zicht van de Etna. Staande op de kampanje van De Eendracht rukte een kogel het voorste stuk van zijn linkervoet weg. De admiraal verloor zijn evenwicht en viel van de kampanje op het bovendek. Korte tijd was hij buiten bewustzijn; terwijl zijn kapitein het bevel overnam, werd de admiraal verbonden. Barstend van de pijn bleef hij zijn mannen aanmoedigen om vol te houden. De avond bracht het einde van de scheepsstrijd, met grote verliezen aan beide zijden. ‘s Avonds was De Ruyter nog in staat een brief aan de raadpensionaris te dicteren en de dagen daarna liet de wond zich nog niet ernstig aanzien. Nog op 26 april ondertekende hij officiële papieren. Maar vervolgens verslechterde zijn toestand. Getroost door zijn eigen gebeden en bijgestaan door een predikant is hij in de avond van 29 april 1676 gestorven. In de maand mei moest de vloot bij Palermo andermaal strijd leveren tegen de Fransen, waarbij zowel schepen als manschappen verloren gingen, en het heeft weinig gescheeld of ook de kist met het gebalsemde overschot van De Ruyter kwam postuum op de bodem van de zee terecht. In de loop van juni raakte het sneuvelen van De Ruyter in de Republiek bekend. De rouw was algemeen, maar het heeft nog maanden geduurd voor het onfortuinlijke vlootdeel uit de Middellandse Zee werd teruggeroepen. Mede door het barre weer kwam het stoffelijk overschot van De Ruyter pas op 16 februari 1677 in Amsterdam aan. De publieke belangstelling voor zijn uitvaart was zo overweldigend dat men zich niet herinnerde zoveel mensen op de been gezien te hebben. Zijn magnifieke grafmonument in de Nieuwe Kerk houdt sindsdien de herinnering aan hem levend.

Bronnen

Even onvergankelijk en monumentaal als zijn praalgraf is de omvangrijke biografie die Gerard Brandt aan De Ruyter wijdde op verzoek van de familie. Brandt was behalve predikant een goed schrijver, die vele papieren tot zijn beschikking kreeg en tal van mensen interviewde over de grote held. Zijn boek verscheen in 1687, meer dan duizend foliobladzijden dik. Uit die bron zijn de vele woorden van en over De Ruyter te danken en op die levensbeschrijving gaan alle latere biografieën van De Ruyter terug. Van onze oudere zeehistorici verdient vooral het werk van J.C.M. Warnsinck aanbeveling. Na de Tweede Wereldoorlog is er weinig oorspronkelijk onderzoek naar de Nederlandse zeehelden verricht. Kritiekloze heldenverering had door de totalitaire ideologieën een wrange bijsmaak gekregen. Pas in onze tijd heeft de zeehistoricus Ronald Prud’homme van Reine een nieuwe, evenwichtige biografie van De Ruyter geschreven, waarvoor hij bovendien tal van tot dan toe onbekende archiefbescheiden heeft benut: Rechterhand van Nederland. Biografie van Michiel Adriaenszoon de Ruyter (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1996). Op zijn boek is deze levensschets gebaseerd.

Website

<