Lofdicht op de Martelaren van Gorcum


Intro

Een lied op de martelaren van Gorcum (1575), vermoedelijk van Rutger Estius, in het Leidse exemplaar van Willem Estius, Waerachtige historie … (1604). In 1604 verscheen de Ne derlandse vertaling van een verslag in het Latijn over de martelaren van Gorcum, negentien katholieke geestelijken die in 1572 in opdracht van geuzenleider Lumey in Den Briel vermoord werden. Voor dit werk baseerde de auteur Willem van Est of Estius, een neef van een van de martelaren, zich op bewijsmateriaal en verklaringen van ooggetuigen die zijn broer Rutger, zelf ook ooggetuige van een deel van de gebeurtenissen, had verzameld. Achterin het Leidse exemplaar van deze Nederlandse vertaling vinden we een handgeschreven lied over dezelfde gebeurtenis. Het handschrift is een afschrift van een antigeuzenlied dat in 1575 was ‘geprent tot Amsterdam in Engeleborcht’. Een gedrukte versie hiervan is vooralsnog niet teruggevonden. Toch is ons een verhaal bekend van de driejarige Franciscus vanden Cruycen die in 1579 tijdens een diner van Laevinus Torrentius, vicaris-generaal van het bisdom Luik, een lied voordroeg over de martelaren van Gorcum. Na het derde couplet werd het jongetje tevergeefs tot stilte gemaand, omdat de woorden ‘Lummé, den tiran groot’ als pijnlijk werden ervaren voor de aanwezige familieleden van Lumey. Met de verspreiding van dit soort liederen werd in de zestiende eeuw geregeld controverses uitgevochten. Geuzenliedboeken, waarin zulke liedjes werden verzameld, werden algauw heel populair. Maar ook van katholieke zijde verschenen naar aanleiding van actuele gebeurtenissen herhaaldelijk liederen met politieke bedoelingen. Als onderdeel van een orale cultuur varieerde het lied gaandeweg in lengte. Zo vinden we de gevreesde zinsnede ‘Lummé, den tiran groot’, terug in het negende couplet van een lied over de martelaren van Gorcum in het werk van minderbroeder Cornelius Thielmans uit 1606. Zowel deze uitgave als het verhaal van Franciscus spreekt over dertig coupletten, terwijl de Leidse variant slechts twintig coupletten telt. In 1619 werd er in een proces-verbaal over dit lied uit 1575 zelfs gesproken over 33 verzen. In 1914 vergeleek G. Hesse deze Leidse versie met die van Thielmans. Weliswaar concludeerde hij dat de coupletten nauwelijks van elkaar verschilden, maar hij vond twee strofen uit het Leidse handschrift niet terug bij Thielmans. Dit was voor hem een nadere bevestiging dat het oorspronkelijke lied hoogstwaarschijnlijk uit 33 verzen heeft bestaan. Maar waar zijn de eerste dertien coupletten in de Leidse versie gebleven? Vermoedelijk waren deze op de schutbladen voor in het werk geschreven die later zijn vervangen. Frank de Hoog, met dank aan Erika Kuijpers

Tekst

Duer guesen predicanten [1] syn sy geëxamineert een van des lichten quanten seer swaerlicht getemteert want zy hem wijs wildig maeken dat om ont gaen der doot soulde alleen versaecken een pauwts ons ouer hooft. Ten mocht geensints niet weesen te consenteeren dat daer om syn sij verweesen van een tyran seer sadt en droncken inde wijn ontrent der midder nacht hoe mocht dit godt looser sijnen prent dit in u gedacht. Haestich ter selver stonden syn sy ter doot gheleijt. en hebben met vollen monden nocht haer gelooft verbreijt vermaenende malcanderen stantachticht te syn in pyn biechtende hair sonden d’een d’ander In sulcker schyn nocht fijn. Eerst mael werde gehanghen den vroomen gaerdiaen die vrolick int verstranghe zyn broders noijt aff en wou gaen maer heef se tallen uren ghemoedicht totter doot seggende soo ick u doe vooren soo volch mijn nae ter noodt. Synen president in volgen was fier ende vaelliandt die welcke seer was verbolgen al op den predicant ende seyde mijn en roult met allen niet dat ick steruen moet mair dat ghij nu hebt te vallen ghebracht onsen jonghe bloet. Soo vroem was mester Lenaert oock den oulden pastoor die gheen guesen roouerst en gaff eenicht ghehoor hy seij gheen gues wil ick weesen maer gaeffde mijn den tyt haests hadde ick u onderweesen dat ghij in dwaelinghe syt. Ende oock soo deede den jonghen pastoor een schoon relaes en vrolick ontbedwonghen van geests was broer Nijcaes en broer Wilhaldus mede die altyt soo verblyt bleuen in haer passie te vreden als in een blyde maeltyt. Hangen lieten syse in pijnen som hangen omversmacht tot dat den dacht in schijnen was hoocht al van midder nacht en op dat niet en ghebraecke aen de uuyterster vreetheijt fel aff ghesneden ooren staecken sy op haeren hoeden snel. Soo deeden sij oock de nuesen en der schaemelijcke leen dit hebbense op hooft fraye geset wandelde soo in stee jae van d’een stede in d’ander oock menschelycke creatuer hoe mocht ghij dit doen malcanderen die syt van een natuer. Soo en was versaet hair [gier.dere] nocht haer vreetheyt niet daer om naemen sy met vernieut die lichaeme siet en gingense villen en op snyden ende naemen het vet daer uuijt dat men oock tot gorcom vrij nocht veyl riep ouerluijt. Ocht alder liefte heere [2] laetet u verdrieten docht en wilter met haesten seere een schot voor schieten nocht dat des verwoede ketters u eere niet meer en vertreen ghy muecht dees goedts beletters te neer slaen heer alleen. Ocht siet hoe meenighe sielen sy hebben ghebracht int net En hoe veel syer vernielen nocht daegelichts onbeledt die ghy door u wonden bloedicht soo duer hebt gecocht worden nu met hoope spoedicht Al inder helle gebrocht. Nu laet ons docht aenroepen des heylighe martelaers dat sy ons uuijt die groepen der sonden als trouwe vaers tocht trecken tot Godt veroeuen als sy hem te blyven by sy bayen voor ons int crancke leuen te meer nu sy syn vrij. Catolyken wilt blyuen all die alsoo nocht sijt soo macht aen u beclyuen die Godt seyt tot ons profyt alle die vervolligen lijden om die rechtverdicheijt moghen hem alleen verblyden Godts rijck is hem bereijt. Eel en van Godt verheeuen 2 soo syn sy oock alleen die dit gelooft beleeuen Godt eeren met harte reijn mer die den heer der heeren versmaeden versaecken siet syn on eel en vol onneeren Godt heeft dit helij bediet. Hollander die in u steeden nocht goet syt u ghelyck wensch ick stantachtich hede int gelooue autentyck het welck ons vroome heeren met haer doot hebben bevest om te confirmeeren haer leeren soo elck sprack erst en lest. Is dat ghy int volherden blyft vast al totten eijnde soo sult ghij saelicht weerden van gheene quaede doot geschent en die haer goet verlaeten ende dat oock om Jesus naem honderd foult sal hem baeten daer toe Godts ryck bequaem. Den mensch en wilt niet vreesen diet lichaem doot alleen maer vreest den Heer gepreesen die lijff en siel gemeijn macht eewicht doen ghedooghen den eysschelicker helsen brandt daer screijnghe syn sal van ooghen En knarsinghe der tanden. Bescrijver ben ick uuijt minnen van dit waerachticht liet ick was selffts in beginnen van Godts dienaers verdriet maer ons bermharticht heere die goet tot allen tijden is liet mijn niet meer temteeren dan ick mocht lijden fris. Vroom prinssen en princesse beschermpt ons priesters vroom die leeren die catolycke lessen Godt woort geen menschen droom datse die niet meer en verrassen in haere felle moet haer handen niet meer en wassen in haar onnosel bloet. geprent tot Amsterdam in Engeleborcht 16 1575
[1] Voor deze transcriptie is dankbaar gebruik gemaakt van de uitwerking van het lied die is opgenomen in het artikel: G. Hesse, ‘Het lied van Rutger Estius op de H.H. Martelaars van Gorcum, gedrukt bij Willem Jacobszoon te Amsterdam’, De Katholiek 145 (1914) 290-315, aldaar 303-307. [2] Deze strofen zijn niet aanwezig in de uitgave van Thielmans (1606).